GRASBAAN SPORT REGLEMENT 2005
Wijzigingen en/of aanvullingen zijn vet en cursief afgedrukt.
Hiermee komen alle voorgaande edities te vervallen.
- 2 - - 3 -
INHOUDSOPGAVE BAANSPORT REGLEMENT
1 Algemeen
2 Organisatie 5
3 Definitie 5
4 Aantal deelnemers 5
5 Voorwaarden/recht deelname aan wedstrijden 5
5.1 Uit te geven Nationale Baansport Startlicenties 5
5.2 Onderverdeling Licenties baansport 5
5.3 Recht op deelname WK/EK/INT/EURO wedstrijden 6
5.3.1 Grand Prix Serie's 6
5.3.2 Procedure voor toewijzing deelnemers
aan WK/EK evenementen c.q. kwalificatie ronden 6
5.3.3 Deelname aan Internationale wedstrijden 5
5.3.4 Euro wedstrijden 6
6 Vlaggencode 6
7 Aanvullend Reglement 7
7.1 Calamiteitenplan 7
8 Banen 7
8.1 Normen/Richtlijnen 7
8.2 Inspectie en keuring 7
9 Motorfietsen en brandstoffen 7
9.1 Banden 7
10 Categorieën en Leeftijden - Klassen 7
11 Indeling rijders 8
125cc indeling int. Shorttrack klasse 8
11.1.1 indeling 125cc klasse 8
11.1.2 indeling int. Shorttrack klasse 8
11.1.3 Jeugd &Damesklasse indeling 9
11.2 senior startlicentiehouders special / speedway / zijspan 9
11.3 internationale licentiehouders motocross 9
11.4 startlicentiehouders special nationaal 9
11.4.1 Startlicentiehouders speedway nationaal 9
11.5 startlicentiehouders special senioren /speedway senioren 9
12 Uitrusting van de rijders 9
12.1 Milieu maatregel 9
13 Open en Nederlands Grasbaan Kampioenschap 10
13.1 Open en Nederlands Kampioenschap Speedway 10
13.2 toestemming buitenland 10
14 KNMV-Cup 10
15 Klassering 10
16 Aantal te behalen competitiepunten 10
17 Promotie- en degradatieregeling 11
18 Officials 11
19 Inschrijvingen 11
20. Training 11
21. Wedstrijden 12
21.1 Indeling-Uitslag-Klassering op de wedstrijddag 12
21.2 Algemene Regels 12
21.3 Rijrichting van de races 13
21.4 Stiptheid bij de startprocedure 12
21.5 Startposities 13
- 4 -
21.6 Starts 13
21.7 Valse start 14
21.8 Het vertragen van de start 14
21.9 Vervangen van een uitgesloten rijder 14
21.10 Defecte startinstallatie 14
21.11 Hulp bij het starten 14
21.12 Het verlaten van de baan 14
en defect uitlaatsysteem 14
21.14 Ongeoorloofd en gevaarlijk rijden 15
21.15 Hulp van derden 15
21.16 Uitsluitingen 15
21.17 Tijdslimiet/klassering 15
21.18 Finish - Valse Finish 15
21.19 Herstarts 16
21.20 Berekening van resultaten 16
21.21 Dead heat 16
21.22 Terugtrekking van een rijder, official, organisatie 16
22 Protesten 16
22.1 Tijdslimiet bij het indienen van protesten 16
22.2 Schadeloosstelling 17
23 Onvoorwaardelijke KNMV straffenlijst bij Baansportwedstrijden 17
24 Betaling van de rijders 18
25 Slotbepaling 18
- 5 -
1 ALGEMEEN
De volgende reglementen zijn van toepassing op alle Baansport evenementen die vermeld zijn op de officiële KNMV-wedstrijdkalender.
2 ORGANISATIE
De evenementen worden georganiseerd onder de reglementen van de KNMV.
De organisator van een wedstrijd is verantwoordelijk voor de totale organisatie van het evenement waarvoor een organisatievergunning is afgegeven. Door deze verant-woordelijkheid te aanvaarden neemt de organisator de plicht op zich alle reglementen en bepalingen na te leven.
3 DEFINITIE
De wedstrijden zullen bestaan uit manches of series met een finale en eventueel halve finales, welke worden verreden op een ovale baan van, bij voorkeur gras en zand en voor speedway gravel. Speedwayraces mogen verreden worden tussen individuele rijders, paren rijders of teams.
4 AANTAL DEELNEMERS
Het aantal deelnemers per manche, serie of (halve) finale bij Kampioenswedstrijden bedraagt per categorie voor:
klassen jeugd/125/dames. min. 4
Int. runnerup/shorttrack: min. 4
specialklassen: min. 4 - max. 9
125cc special: min. 4
zijspanklassen: min. 3 – max. 6
speedwayklassen: min. 3 – max. 6
Van bovengenoemde aantallen kan bij uitzondering worden afgeweken, dit ter beoordeling van de wedstrijdleiding en na goedkeuring van de wedstrijdjury.
5 VOORWAARDEN/RECHT DEELNAME AAN WEDSTRIJDEN
a Men dient in het bezit te zijn van een geldige KNMV startlicentie.
b De rijder van een zijspancombinatie dient in de wedstrijd met dezelfde passagier te starten als waar hij mee heeft getraind.
c 125cc en Shorttrack/runner-up mogen in twee klassen rijden op een wedstrijddag
d Jeugd licentiehouders t/m 10 jaar (peildatum leeftijd 1 januari) mogen voor maximaal 1 klasse een startlicentie bezitten.
e Uitkomen in de klasse special en solo/runner-up/shorttrack is niet toegestaan op een wedstrijddag, in uitzonderlijke gevallen kan de Baansport Commissie hiervan afwijken, o.a. na overleg met de Medische Commissie.
h Deelnemers in de klasse 125 special mogen niet in een andere klasse uitkomen in dezelfde wedstrijdserie van een dagdeel.
5.1 Uit te geven nationale baansport startlicenties
Aan de rijders worden respectievelijk de volgende startlicenties uitgegeven:
* Internationale licentie (zijspan, special en speedway)
* Euro licentie (crossklasse 125cc , runnerup/ shorrtrack, zijspan, special en speedway)
* Nationale licentie (dames,specials/speedway).
* Jeugd licentie
Rijders die bovendien uitkomen in EK/WK evenementen dienen ook nog een UEM- of FIM licentie of één evenement licentie aan te schaffen.
5.2 Onderverdeling licenties baansport
SPECIAL EN SPEEDWAY KLASSE SENIOREN
Alle Special en Speedway Senioren dienen in het bezit te zijn van een Euro of Internationale licentie.
- 6 -
SPECIAL EN SPEEDWAY KLASSE NATIONALEN
Alle Special en Speedway nationalen dienen in het bezit te zijn van een Euro licentie. Voordat men in het bezit gesteld wordt van een licentie dient men met goed gevolg de verplichte KNMV Cursus Specials en/of Speedway te hebben afgelegd.
SPECIALKLASSE 125 CC VIERTAKT
Alle rijders in de Specialklasse 125 cc viertakten dienen in het bezit te zijn van een jeugdlicentie. Voordat men in het bezit wordt gesteld van een licentie dient men met goed gevolg de verplichte KNMV cursus 125cc specials te hebben afgelegd.
KLASSE ZIJSPANNEN
Zijspanlicentiehouders dienen in het bezit te zijn van een Euro nationaal of internationale licentie. Voordat men in het bezit gesteld wordt van een startlicentie dient men met goed gevolg de verplichte KNMV cursus Zijspannen te hebben afgelegd.
125cc / Runner-up/ Shorttrack -KLASSEN
Alle rijders dienen in het bezit te zijn van minimaal een Euro licentie met klassenvermelding.
Rijders in de damesklasse dienen in het bezit te zijn van een nationale licentie.
Jeugd Klassen
Alle Jeugd rijders dienen in het bezit te zijn van een Jeugdlicentie met klassenvermelding.
5.3 Recht op deelname WK/EK/Int/Euro Wedstrijden
5.3.1 Grand Prix series
Door plaatsing via de voorronden en de Challenge of na plaatsing in de GP series.
5.3.2 Procedure voor toewijzing deelnemers aan EK/WK evenementen c.q. kwalificatie ronden
Recht op deelname;
50% van de toegewezen plaatsen in het betreffende kampioenschap worden ingevuld door de rijders op volgorde van de eindstand van het voorafgaande jaar en 50% (afronding naar boven) van de plaatsen zullen ter beschikking worden gesteld voor toewijzing door de Baansport Commissie.
Een rijder verliest zijn recht op EK/WK-deelname wanneer hij niet deelneemt aan de daarvoor door de KNMV georganiseerde training/cursus.
De Baansport Commissie bepaalt jaarlijks de selectiecriteria voor de samenstelling van een KNMV EK/WK/ Best Pair Speedway team.
5.3.3 Deelname aan internationale wedstrijden:
Internationale wedstrijden in Nederland: Minimaal 1/3 van het aantal rijders dient KNMV-licentiehouder te zijn, en minimaal 50 % van de deelnemers dient in het bezit te zijn van een niet KNMV licentie. Inschrijvingen van niet KNMV licentiehouders kunnen worden geweigerd.
Aan Internationale wedstrijden in het buitenland mogen alleen licentiehouders, in het bezit zijnde van een Euro / internationale licentie, of met speciale toestemming deelnemen.
Uitzonderingen op deze regel staan vermeld in artikel 13 e.v.
5.3.4 Euro wedstrijden
Aan Euro-wedstrijden in het buitenland mogen alleen licentiehouders, in het bezit zijnde van een Euro licentie, deelnemen. Uitzonderingen op deze regel staan vermeld in artikel 13 e.v.
6. VLAGGENCODE
Elke deelnemer dient de volgende seinen/vlaggencode te kennen:
Rode vlag/rode lampen : onmiddellijk en verplicht stoppen
- 7 -
Gele vlag (nvt bij EK/WK wedstrijden): obstakel op de baan, snelheid minderen, voorzichtig rijden en niet van positie veranderen
Zwarte vlag + nummer of
diskwalificatieschijf : directe stop voor rijder wiens nummer wordt getoond
Groene vlag : baan vrij
Gele vlag met diagonaal zwart kruis : ingaan laatste ronde
Zwart-wit geblokte vlag : finish
7. AANVULLEND REGLEMENT
Door de organisator dient het Aanvullend Reglement Baansport, overeenkomstig het Motorsport Reglement, minimaal 4 weken voorafgaande aan het evenement ter goedkeuring aan het KNMV secretariaat gezonden te worden. Alle bijzondere toevoegingen aan een evenement dienen hierin vermeld te zijn. De KNMV draagt er zorg voor dat de hoofden van dienst tijdig in het bezit gesteld worden van het Aanvullend Reglement. Tevens dient het Aanvullend Reglement voorafgaande aan de training op het mededelingenbord ter kennisname te worden bevestigd.
7.1 Calamiteitenplan
Van elk evenement dient een volledig ingevuld calamiteitenplan minimaal 4 weken voorafgaande aan het evenement ter goedkeuring aan het KNMV secretariaat gezonden te worden. Het goedgekeurde calamiteitenplan dient op de wedstrijddag beschikbaar te zijn.
8. BANEN
8.1 Normen/Richtlijnen
Richtlijnen zullen door de Baansport Commissie/Bestuur vastgesteld worden. Normen voor banen gelden onvoorwaardelijk voor gebruik door motorfietsen welke voldoen aan het knmv technisch reglement baansport.
8.2 Inspectie en goedkeuring
Op geen enkele baan zal enige wedstrijd worden verreden alvorens deze door of namens de Baansport Commissie geïnspecteerd en goedgekeurd is.
9. MOTORFIETSEN EN BRANDSTOFFEN
Specificaties van motorfietsen, reglementen betreffende brandstof en de DbA norm moeten overeenkomstig zijn zoals omschreven in het KNMV Technisch Reglement Baansport.
9.1 Banden
Bij ONK Speedway wedstrijden mag elke rijder maar één achterband gebruiken, deze mag wel gedraaid worden. Indien de rijder een reserve motor heeft moet de achterband van deze gebruikt zijn. (Er mag dus geen nieuwe band gemonteerd worden)
10. CATEGORIEËN EN LEEFTIJDEN - KLASSEN
De wedstrijden worden bij voldoende deelname ingedeeld in de volgende categorieën:
Jeugd 50 cc 5 t/m 8 jaar
Jeugd 65 cc 8 t/m 11 jaar
Jeugd 85 cc 10 t/m 14 jaar
Jeugd 125 cc (100 t/m 125 cc) 13 t/m 15 jaar
Jeugd special (100 t/m 125 cc) 10 t/m 16 jaar
Nat damesklasse (100 t/m 125 cc) 13 en ouder
Euro/nat. 125 cc (100 t/m 125 cc) vanaf 15 jaar
Int. Runner-up (250 t/m 550 cc 2takt, 290cc t/m 750cc 4 takt) vanaf 15 jaar
Int. Shorttrack(250 t/m 550 cc 2takt, 290cc t/m 750cc 4 takt) vanaf 15 jaar
Nat. Special (351 t/m 500 cc) vanaf 15 jaar
Sen. Special (351 t/m 500 cc) vanaf 16 jaar
- 8 -
Sen. Speedway (351 t/m 500cc) vanaf 16 jaar
Nat. Speedway (351 t/m 500cc) vanaf 15 jaar
Nat./Sen. Zijspan (351 t/m 500 cc) vanaf 16 jaar
Bakkenist Zijspan. (EK 16 jaar) vanaf 15 jaar
Maximale leeftijd voor deelname, indien niet aangegeven: geen, zolang medische goedkeuring wordt verkregen. Maximale leeftijd, indien vastgesteld, voor deelname is peildatum 1 januari. De minimum leeftijd gaat in op de verjaardag van de deelnemer.
Samenvoegen of onderverdeling van één of meerdere klassen/groepen is toegestaan. Indien echter bij aanvang van het wedstrijdseizoen een klasse niet het minimum vereiste aantal deelnemers voor een kampioenswedstrijd heeft, dan kan deze klasse komen te vervallen.
11. INDELING RIJDERS
11.1 Startlicentiehouder 125cc/ Int. Runnerup / Int. Shorttrack.
Een 125 licentiehouder dient, als hij/zij uit wil komen in de int.shorttrack klasse te beginnen bij de int.runner-up. Een automatisch verworven recht vervalt na datum jaarlijks KNMV inschrijfbureau bij niet aanmelding. Bij aanmelding voor de specialklasse worden de solorijders ingedeeld bij de nationalen.
11.1.1 Indeling 125cc klasse
De klasse wordt verdeeld in een A en B groep. Er wordt gereden voor 1 kampioenschap, waarbij op dezelfde wedstrijddag wordt gereden. De A groep zal elke wedstrijd bestaan uit 19 rijders en 1 wildcard rijder in te vullen door de baansport commissie mogelijk op voordracht van de organisator. Na elk evenement degraderen de rijders geëindigd op plaats 16 tm 20 van de A groep naar de B groep en promoveren rijders van de B groep naar de A groep. Wildcard rijders kunnen geen rechten ontlenen aan hun prestaties. NK Puntentelling start met 20, overige rijders rijden voor dagprijs, kwalificatie voor volgend evenement en kwalificatie voor deelname aan de KNMV 125- B Trofee 2004 finale. De indeling voor de 125cc A finale wedstrijd wordt bepaald na de NK tussenstand plaats 1 tm 18 na de voorlaatste wedstrijd. Voor de finale wedstrijd kan de BC twee Wildcard rijders toewijzen.
KNMV 125cc B- Trofee 2004
Rijders welke voor de laatste NK 125cc in het totaal klassement 2004 vanaf plaats 19 zijn geklasseerd of meer dan 75 procent van de 125cc NK wedstrijden hebben deelgenomen, kunnen deelnemen aan de 125cc B Trofee 2004.
Deze Trofee wordt verreden tijdens het finale evenement Jeugd en Nationalen 2004.
11.1.2 Indeling Int. Shorttrackklasse
Er wordt gereden in 2 groepen voor 1 kampioenschap(runnerup en shorttrack), waarbij niet per definitie op dezelfde wedstrijddag wordt gereden. De shorttrack groep zal elk evenement bestaan uit 18 rijders en 2 wildcard rijders in te vullen door de baansport commissie mogelijk op voordracht van de organisatie. NK puntentelling start met 20. Na elk evenement plaatsen de eerste twaalf geëindigde zich voor het volgende ONK Shorttrack evenement overige rijders degraderen naar de runner-up. De Shorttrack klasse wordt elk evenement aangevuld door rijders uit de vorige runner-up wedstrijd. Wildcard rijders kunnen geen rechten ontlenen aan hun prestaties. Indien er tussen 2 shorttrack wedstrijden meerdere runner-up wedstrijden zijn wordt er een fictief (tijdelijk)klassement opgesteld. Dit is ook van toepassing wanneer er tussen 2 runner-up wedstrijden meerdere shorttrack wedstrijden zijn. Voor dit fictief klassement geldt geen schrapresultaat.De shorttrackklasse kent 1 reserve voor de gehele wedstrijddag. Buitenlandse deelnemers (nationaliteit+ licentie) welke zich inschrijven voor int. shorttrack verminderen het aantal gepromoveerde runner-up rijders per wedstrijd. De indeling voor de Shorttrack finale wedstrijd wordt bepaald na de NK tussenstand plaats 1 tm 18 na de voorlaatste wedstrijd. Voor de finale wedstrijd kan de BC twee Wildcard rijders toewijzen.
- 9 -
Int. KNMV Runner-up Cup 2004
Rijders welke na de laatste int. Shorttrack 2004 vanaf klassering 18 zijn geëindigd of meer dan 75 procent van de runner-up wedstrijden hebben deelgenomen kunnen deelnemen aan de Runner-up Cup 2004. Deze Cup wordt verreden tijdens het finale evenement Jeugd & Nationalen 2004.
Gedurende de gehele wedstrijd is de licentiehouder vrij in keuze van machine mits deze is goedgekeurd en in overeenstemming met art. 3.03.01 van het technisch reglement.
Rijders in de klassen 50,65,85,125 jeugd en damesklasse worden in hun specifieke klasse ingedeeld een combinatie van klassen is mogelijk.
11.2 Senior startlicentiehouders special / zijspan
Een senior startlicentiehouder special / speedway /zijspan wordt, indien hij uit wil komen in een soloklasse, individueel bekeken/ingedeeld door de BC.
11.3 Internationale licentiehouders Motocross
Internationale KNMV startlicentiehouders motocross worden voor grasbaanwedstrijden in de klassen 125cc A/B of int. runner-up / shorttrack klasse ingedeeld. Bovendien kunnen deze voorgedragen worden voor een wildcard.
11.4 Startlicentiehouders Special Nationaal
Na indeling door de Baansport Commissie van de licentiehouders in een A en een B groep, wordt in de daaropvolgende wedstrijd de laatste twee van de A groep, geplaatst in de B groep, de eerste twee van de B groep komen in de A groep. De NK puntentelling loopt door van de A naar de B groep, ook als het een wedstrijd over twee dagen betreft, waarbij bijvoorbeeld de B groep op een andere dag dan de A groep rijdt. Indien het aantal licentie houders dit nodig maakt wordt er in 1 groep gereden.
11.4.1 Startlicentiehouders Speedway nationaal
De nationalen rijden in een groep om het KNMV Speedway Cup kampioenschap.
11.5 Startlicentiehouders Special/Speedway Senioren
Voorafgaande aan het seizoen wordt aan een vastgesteld aantal rijders een A-status toegekend door de Baansport Commissie. De overige Specials/Speedway Senioren krijgen een B-status. De licentiehouders behouden hun status, ongeacht in welke groep ze uitkomen.
De NK- puntentelling loopt door van A naar B groep. Op de wedstrijddag is er een dagklassering voor de A groep en een dagklassering voor de B groep. De A groep kan worden aangevuld met de hoogst geklasseerde B rijders van de NK tussenstand, indien er A rijders niet kunnen deelnemen, dit ter beoordeling van de Baansport Commissie.
12. UITRUSTING VAN DE RIJDERS
De uitrusting van de rijders moet overeenkomen met het vermelde in het Technisch eglement, deel B Baansport.
R
12.1 Milieu maatregel
De rijders dienen onder hun motor een niet oliedoorlatend kleed te leggen in het rennerskwartier. De minimale afmeting van de kleden zijn voor Solo's 1 x 2 meter en Zijspan-nen 2 x 2 meter. Het inspuiten van de kettingen met een smeermiddel mag niet op de baan, maar dient op het milieukleed, te gebeuren. Het weg laten lopen van methanol, o.a. uit de carburateur op de grond is verboden.Licentiehouders worden verantwoordelijk gesteld voor het achterlaten van huisvuil, banden etc. in het rennerskwartier.
Het Open Nederlands Kampioenschap wordt verreden in de klassen Special Senioren, Zijspan
- 10 -
en int. shorttrackklasse en is te behalen door elke deelnemer. Aan deze Open Nederlandse Grasbaan Kampioenswedstrijden kunnen alle rijders deelnemen die in het bezit zijn van een KNMV Internationale of Euro licentie, alsmede kunnen maximaal 1/3 buitenlandse rijders deelnemen die in het bezit zijn van een internationale of Euro licentie van een bij de FIM en/of UEM aangesloten bond.
Het Nederlands Kampioenschap is te behalen in de klassen 125 cc A en damesklasse. Het Open Nederlands Kampioenschap voor de klasse 125cc special viertakt wordt verreden in een competitie, waarbij grasbaan en speedway worden samengevoegd. Hieraan kunnen een onbeperkt aantal niet KNMV licentiehouders deelnemen. Voor beide Kampioenschappen zullen alle punten, behaald in deze wedstrijden meetellen. (1 schrapresultaat art.15)
13.1 Open Nederlands Speedwaykampioenschap
Het Open Nederlands Kampioenschap wordt verreden in de klasse Speedway Senioren en is te behalen door elke deelnemer. Aan deze Open Nederlandse Speedway Kampioenswedstrijden kunnen alle rijders deelnemen die in het bezit zijn van een KNMV Internationale of Euro licentie, alsmede kunnen maximaal 1/3 buitenlandse rijders deelnemen die in het bezit zijn van een internationale of Euro licentie van een bij de FIM en/of UEM aangesloten bond.
13.2 Toestemming buitenland
Op alle data, waarop kampioenwedstrijden worden verreden zullen de startlicentiehouders geen toestemming ontvangen voor deelname aan enige buitenlandse wedstrijd, met uitzondering van de klassen specials senioren, speedway senioren, zijspannen, shorttrack en 125cc A groep. Voor de 125cc A groep en shorttrack geldt dat men op het moment van de aanvraag bij de eerste 15 van de tussenstand moet staan. Indien een licentiehouder wil deelnemen aan een buitenlandse wedstrijd ten tijde van een ONK of NK dient hij altijd schriftelijk toestemming te vragen aan de KNMV.
14. KNMV CUP
Alle overige klassen en categorieën inclusief de Speedway Zijspannen rijden in een competitie om de KNMV Cup. Voor de KNMV Cup competitie zullen alle wedstrijden welke op de KNMV wedstrijdkalender als zodanig zijn aangeduid, meetellen. (Minimum deelname 4 licentiehouders in de betreffende competitieklasse, peilmoment is deelname training)
15. KLASSERING
Indien in de eindstand van een competitie meer licentiehouders eindigen met een gelijk aantal punten, dan geldt het navolgende voor het bepalen van de hoogste klassering: Voor de eerste drie plaatsen geldt dat een beslissing middels een run-off zal plaats vinden.
Voor de overige plaatsen geldt:
a. Het aantal eerste plaatsen
b. Het aantal tweede plaatsen
c. Het aantal derde plaatsen enz.
d. Geeft dit nog geen uitslag dan geldt de beste klassering in de laatste wedstrijd van de betreffende competitie. Bij dagklassement: de beste klassering in de laatste manche / heat van de betreffende wedstrijd).
Voor de bepaling van de eindstand geldt voor alle klassen 1 schrapresultaat.
Voor het fictief tussen klassement in de runner-up/ shorttrack geldt geen schrapresultaat.
16. AANTAL TE BEHALEN COMPETITIE-PUNTEN
a De kampioenschappunten worden verdeeld vanaf 24 punten. Dit is van toepassing op special / speedway en ONK klassen, met uitzondering van de zijspanklasse.
Voor jeugdklassen (50cc t/m 125cc jeugd) wordt kampioenschappunten vanaf 12 verdeeld. Voor de 125cc en shorttrackklasse worden kampioenschappunten verdeeld
- 11 -
vanaf 20 punten.
b Om voor kampioenschappunten in aanmerking te komen dient men tenminste in de wedstrijd gestart te zijn en één keer gefinisht. (Diskwalificatie staat gelijk aan niet finishen).
17. PROMOTIE- EN DEGRADATIEREGELING
Jaarlijks wordt door de Baansport Commissie het aantal rijders per klasse vastgesteld die promoveren c.q. degraderen. Jeugd/Nat. kunnen alleen in hun klasse promoveren. In bijzondere gevallen kan de Baansport Commissie tijdens het wedstrijdseizoen een rijder promoveren.
18. OFFICIALS
De navolgende gelicentieerde officials zijn nodig:
- Jury voorzitter - Technische Officials
- Referee - Tijdwaarneming
- Wedstrijdleider - Milieu Official
- Baanofficials - Arts
- Rennerskwartier official - (Hulp) Startofficials
Andere personen die nodig zijn bij de wedstrijd:
- Wedstrijdsecretaris
- Omroeper
19. INSCHRIJVINGEN
Een rijder die aan een wedstrijd deel wil nemen, is verplicht individueel een inschrijfkaart voor de op de wedstrijdkalender aangegeven sluitingsdatum, als vermeld in het officieel orgaan,
op te sturen naar het KNMV-secretariaat. Inschrijvingen, welke na sluitingsdatum binnenkomen, worden als zodanig niet meer geaccepteerd. Een rijder die ingeschreven heeft doch niet kan deelnemen, dient dit, uiterlijk 24 uur voorafgaande aan het evenement te melden bij de Baansport Commissie. Nalatigheid of ongeldige redenen, kunnen worden bestraft. Inschrijvingen van niet KNMV licentiehouders kunnen worden geweigerd. Verder geldt het gestelde voor inschrijvingen zoals omschreven in het Motorsportreglement.
De voorinschrijving voor klassen 50 cc, 65 cc, 85 cc, 125 cc jeugd en de damesklassen, schrijven zich in op het evenement, middels betaling van het inschrijfgeld, voor de betreffende wedstrijd.
De klassen 125cc, int. Runner-up, int. Shorttrackklasse, 125cc specials, specials nationaal, specials senioren, Speedway nationaal, Speedway senioren en zijspannen dienen zich voor alle wedstrijden middels de inschrijfkaart in te schrijven. Wordt de betreffende klasse verreden tijdens een Jeugd & Nationaal wedstrijd, dan dient men op de wedstrijddag inschrijfgeld te betalen.
20. TRAINING
Voor elke baansport wedstrijd zal er gelegenheid zijn om te trainen. Alle rijders zijn verplicht hieraan deel te nemen. Dit is van toepassing op grasbaan en speedwayevenementen
Starttrainingen vanaf de startlijn zijn alleen onder controle van de referee toegestaan.
Ter beoordeling van de wedstrijdleider kan, op het andere rechte stuk (tegenover het startgebied) gelegenheid tot starttrainingen worden gegeven.
De wedstrijdleider zal het training schema opstellen en bekend maken op de wedstrijddag.
21. WEDSTRIJDEN
21.1 Indeling - uitslag - klassering op de wedstrijddag
De indeling/uitslag van de wedstrijden wordt als volgt bepaald:
Series met finalemanches
- 12 -
De wedstrijden worden bij voltallige deelname verreden over series waarin elke rijder even vaak aan de start verschijnt. De indeling van de eerste series wordt middels loting vastgesteld. De volgende series worden verreden volgens het systeem. Hierna wordt een klassement opgemaakt aan de hand van de door de rijders behaalde punten. Indien er zich in de tussenstand ex aequo's voordoen welke bepalend zijn voor het verdere wedstrijdverloop dan krijgt de rijder met de meeste 1e pl. - 2e pl. - 3e pl. enz. de hogere klassering. Geeft dit geen uitsluitsel dan wordt door loting beslist.(Diskwalificatie staat gelijk aan niet finishen.)
Nadat de uitslag na de series is vastgesteld worden de rijders naar hun behaalde punten ingedeeld in een A - B (soms ook C en D) finaleheat en de rijders beginnen hierin met nul punten. Winnaar in de A Finale is dagwinnaar, 2e in de A Finale is 2e in het dagklassement, enz. Een rijder die zich geplaatst heeft voor een finaleheat is ten minste laatste in die finale-heat ook als hij om welke reden dan ook, niet is gestart. Een niet geplaatste rijder (dit is een rijder of equipe die niet éénmaal is gefinisht in de series) krijgt een herkansing in de laagste finalemanche. Finisht hij hierin ook niet dan heeft hij geen recht op NK punten.
Indien een finale niet kan worden verreden, door afzegging, en er minder rijders overblijven dan reglementair (art. 4) omschreven, zullen de rijders die niet in staat zijn te rijden in volgorde van resultaat geklasseerd worden na de rijders die wel in staat zijn te rijden.
Voor de Shorttrack en 125cc A geld dat de twee eerst geëindigde rijders van de B- Finale de laatste twee plaatsen invullen van de A-Finale.
Manches
Indien het aantal inschrijvingen dusdanig is dat er maar één groep gevormd kan worden, dan wordt de wedstrijd verreden in manches en zijn de punten doortellend voor de uitslag. Bij gelijk aantal punten is de beste prestatie in de slotmanche bepalend voor de hogere klassering.
Algemeen
Puntentelling per heat/serie c.q. manche bij maximale bezetting is:
Solo's 9-8-7-6-5-4-3-2-1-0
Specials 7-6-5-4-3-2-1-0
Zijspannen 5-4-3-2-1-0
Speedway 3-2-1-0 of 5-4-3-2-1-0
Bij minimale bezetting vervallen de eerste 2
Rijders die niet finishen of worden gediskwalificeerd krijgen een "x". Bij de bepaling om het aantal eerste, tweede enz. plaatsen heeft een 0 voorrang op een "x". Diskwalificatie staat gelijk aan niet finishen.
Indien een wedstrijd om wat voor reden dan ook afgebroken wordt, dan kan de wedstrijd als tellend worden beschouwd:
- als minimaal 50 % van de wedstrijd is verreden en alle rijders even vaak aan de start verschenen zijn.
- als na het verrijden van de "laagste" finaleheat of heats de wedstrijd wordt gestaakt tellen deze verreden finales en zijn de punten behaald in de series bepalend voor de uitslag van die rijders welke nog niet in een finaleheat zijn uitgekomen.
21.2 Algemene Regels
a Het is verboden zich met "draaiende" motor naar de keuring of naar de opgang van de baan te begeven voor het rijden van een training of wedstrijd.
De motor mag niet eerder worden gestart dan het moment waarop de deelnemer tot de baan wordt toegelaten. Bij terugkeer van de baan dienen de deelnemers hun machines stop te zetten bij binnenkomst van het rennerskwartier. Overtreding wordt bestraft.
b Gedurende de training en de wedstrijd is het niet toegestaan dat rijders en/of helpers
- 13 -
(met of zonder machine) zich op het middenveld bevinden.
c Nadat een rijder is afgevlagd in de training of wedstrijd, is het niet toegestaan nog een ronde te rijden.
d Elke licentiehouder dient tenminste 1 specifiek voor hem/haar bestemde en geregistreerde motor ter keuring aan te bieden waarop hij/zij aan de training deelneemt.
e De wedstrijdduur voor serie, manche of (halve) finale bedraagt vier ronden, m.u.v. de A finale van de Shorttrack deze wordt verreden over 6 ronden.
De wedstrijdleiding kan hiervan afwijken.
f Na de huldiging dient het rijden van de ereronde te geschieden met matige snelheid en het mee laten rijden van passagiers, is verboden.
g Rijders dienen de rijdersbespreking welke elk evenement voor aanvang van de training wordt gehouden bij te wonen.
h Een rijder is verantwoordelijk voor het gedrag van zijn/haar helper/supporter.
21.3 Rijrichting van de races
Alle races/heats worden linksom (tegen de klok in) gereden.
21.4 Stiptheid bij de startprocedure
Alle wedstrijden moeten aanvangen op de aangekondigde tijd en de rijders moeten zich gereed houden voor de start wanneer zij daartoe opgeroepen worden door de daarvoor aangestelde official. Behalve wanneer de Referee vindt dat er een geldige reden is om de start op te houden, mag de pauze tussen de finish van een race en de start van de volgende de 5 of 6 minuten niet overschrijden.
Derhalve moet de Referee het begin van de 2 of 3 minuten periode voor de start, aangeven door middel van een waarschuwingshoorn of bel welke hoorbaar moet zijn in het rennerskwartier, als alle rijders nog niet in het startgebied zijn binnen de gestelde tijd. Het waarschuwingssignaal is eenmalig en geldt voor alle rijders. Tijdens de 2 of 3 minuten periode brandt een gele zwaailamp. Als een of meer van de rijders na de 2 of 3 minuten periode niet onder de controle van de hulpstarter staat wordt hij uitgesloten voor de betreffende heat. De uitgesloten rijder(s) kan worden vervangen door een reserve.
De genoemde 5 of 6 alsmede de parallel lopende 2 of 3 minuten worden door de wedstrijdleiding vastgesteld en medegedeeld in de rijdersbespreking voorafgaande aan de races. De tijd is variabel i.v.m. de lengte van de baan.
21.5 Startposities
De startplaatsen van de series worden vooraf door loting vastgesteld en als zodanig vermeld en op het mededelingenbord in het rennerskwartier gepubliceerd. De startposities in de finaleheats worden gekozen door de rijders. Om hun keuze te kunnen bepalen dienen de rijders in de fuik aanwezig te zijn direct nadat de start is gevallen van de voorafgaande heat. Is een rijder op dat moment niet aanwezig dan wordt zijn beurt overgeslagen en krijgt hij de startplaats die over is.
21.6 Starts
Op aangeven van de rennerskwartierofficial (of na het waarschuwingssignaal) moeten de rijders voor de betreffende heat gezamenlijk de pits verlaten. Hierna starten zij de motoren, rijden met matige snelheid rechtstreeks naar de startlijn waar ze dienen te stoppen. Onder toezicht van de hulpstarter nemen zij de aan hen toegewezen startpositie in. (Na het signaal moet men bij nationale evenementen binnen 1 minuut op de baan staan. Na 1 minuut wordt de opgang van de baan gesloten en wordt men niet meer toegelaten). De motoren moeten draaiende in de rijrichting gehouden worden en met beide wielen op de grond stilstaan en het voorwiel mag niet verder dan 10 cm van het startlint van de startinstallatie verwijderd zijn, maar indien voor het startlint een startgeul aanwezig is dienen de rijders hun voorwiel in deze geul te plaatsen, een en ander op aanwijzing van de hulpstarter.
- 14 -
De referee moet, wanneer hij er van overtuigd is dat alle rijders juist opgesteld en stil staan, het groene licht inschakelen ten teken dat de start nabij is. De hulpstarter moet dan van het lint weglopen. Als het groene licht is ontstoken kan de startprocedure niet meer worden afgebroken. Na een pauze die lang genoeg moet zijn opdat de rijders zich kunnen concentreren op het startlint, moet de referee het startlint los/omhoog laten gaan.
21.7 Valse start
Een rijder die zijn machine naar voren laat gaan en daardoor het startlint raakt of breekt nadat de referee het groene licht heeft ontstoken, moet worden uitgesloten voor betreffende start. De uitgesloten rijder kan vervangen worden door een reserverijder.
21.8 Het vertragen van de start
Een rijder die niet rechtstreeks en zonder vertraging van de opgang van de baan naar de startlijn rijdt of de start op welke andere wijze dan ook vertraagt kan van de race uitgesloten worden, dit ter beoordeling van de referee.
21.9 Vervangen van een uitgesloten rijder
Een uitgesloten rijder volgens het bepaalde in art. 21.4, 21.7 en 21.8 mag vervangen worden door een reserve rijder.
21.10 Defecte startinstallatie
Als door een defecte startinstallatie, of door welke andere reden dan ook, de referee vindt dat de start niet correct is verlopen, moet hij onmiddellijk de race stoppen door het stopsignaal (rode lampen) te gebruiken en herstarten met alle deelnemende rijders.
Als de startinstallatie niet goed functioneert mag de referee de race starten door de groene lamp te gebruiken, welke dan uitgeschakeld moet worden om de start te geven. In plaats hiervan mag ook een vlag gebruikt worden.
21.11 Hulp bij het starten
Nadat het groene licht is ontstoken (of een andere startwaarschuwing is gegeven) mag er geen hulp van buitenaf aan de rijders gegeven worden.
21.12 Het verlaten van de baan
Een rijder wiens machine de binnenrand van de baan met twee wielen overschrijdt moet uitgesloten worden, tenzij naar de mening van de referee, deze handeling verricht werd in het belang van de veiligheid van andere rijders of dat betrokken rijder uit de baan gedwongen werd door een andere rijder.
Deze regel is ook van toepassing op het overschrijden van de markering van de buitenrand van een baan indien deze voorzien is van een veiligheidszone.
Uitgezonderd van deze regel zijn de jeugd klassen 50 cc t/m 85 cc, overschrijden zij de markeringslijn(en) dan kunnen zij de baan weer ingaan mits hier geen voordeel mee wordt behaald en zonder dat men daarbij de overige rijders mag hinderen. Wordt hieraan niet voldaan dan volgt diskwalificatie.
21.13 Uitsluiting op grond van te veel uitlaatgeluid en defect uitlaatsysteem
Als geconstateerd wordt dat enig deel van het uitlaatsysteem van de motorfiets van zijn plaats raakt, los raakt, beschadigd wordt of op welke andere wijze dan ook te kort schiet zodat alle uitlaatgassen niet op de juiste wijze door de demper gaan, moet de betreffende motorfiets meteen uit de race genomen worden. (ook als dit zou gebeuren tijdens de training)
Bij na controle dient de gestelde norm + 2 dBa grens niet overschreden te worden, is dit wel zo dan volgt uitsluiting van betreffende heat.
- 15 -
21.14 Ongeoorloofd en gevaarlijk rijden
De referee kan een rijder uitsluiten die zich volgens hem schuldig maakt aan ongeoorloofd, unfair of gevaarlijk rijden.
Als, volgens de referee dergelijk gedrag een voordeel voor de betrokken rijder oplevert of de kansen van een of meer rijders beïnvloedt, kan hij de race stoppen en een herstart houden. Er is geen mogelijkheid tot protest of beroep tegen een beslissing van de referee inzake ongeoorloofd, unfair, gevaarlijk rijden of beslissing genomen op basis van visuele waarneming.
21.15 Hulp van derden
Een rijder moet van een race uitgesloten worden als hij, nadat het groene licht is aangegaan (of een ander startsein gegeven is) of als de race op een juiste wijze gestart is, van buitenaf hulp ontvangt behalve om hem en/of zijn machine van de baan te verwijderen in het belang van de veiligheid. Elk ander contact door andere personen met de rijder of zijn machine, al dan niet bedoeld om te assisteren, wordt geacht hulp van derden te zijn.
21.16 Uitsluitingen
Een uitgesloten rijder moet de baan onverwijld verlaten en zo spoedig mogelijk naar het rennerskwartier terugkeren nadat de race gestopt of afgelopen is. Als een rijder na beëindiging van een race uitgesloten wordt moet (en) de volgende rijder of rijders in de uitslag een plaats opgeschoven worden.
21.17 Tijdslimiet/klassering
Een rijder moet geacht worden te zijn uitgevallen als hij niet het vereiste aantal ronden heeft afgelegd binnen 1 minuut nadat de winnaar de finish is gepasseerd. Tegen een constatering door de tijdwaarnemer in een dergelijke zaak is geen protest mogelijk. Een rijder wordt niet geklasseerd voor de betreffende heat als hij niet aan de laatste ronde is begonnen voor de winnaar de finishlijn is gepasseerd. Uitzondering: Om te worden geklasseerd dienen de deel-nemers in de klasse 50cc tenminste 3/4 deel van het aantal ronden van de winnaar te hebben afgelegd als zij de finishlijn zijn gepasseerd.
21.18 Finish - Valse Finish
De rijders worden, nadat de eerst aankomende rijder het voorgeschreven aantal ronden heeft afgelegd, afgevlagd in volgorde van binnenkomst. Een heat is geëindigd, wanneer de laatste rijder die voor punten in aanmerking komt binnen de gestelde limiet de finishlijn heeft gepasseerd.
Wanneer abusievelijk na meer dan het voorgeschreven aantal ronden wordt afgevlagd, zal de doorkomst van het voorgeschreven aantal ronden tellen. Bij alle overige, vroegtijdige afvlaggingen of stopzettingen wordt de heat over gereden.
Als (om welke reden dan ook) de referee de wedstrijd heeft gestopt nadat een of meer rijders de finishlijn zijn gepasseerd, wordt de race niet overgereden maar zal elke rijder die niet in staat is de finishlijn te passeren ten gevolge van ongeoorloofd, unfair of gevaarlijk rijden van een andere rijder die daarvoor uitgesloten moet worden, geacht te zijn gefinisht op zijn oorspronkelijke positie. Een soortgelijke beslissing kan ook van toepassing zijn voor een rijder die, volgens de referee noodgedwongen zijn machine neergelegd heeft of de baan verlaten heeft in belang van de veiligheid.
- 16 -
21.19 Herstart
Als er een ongeval op de baan plaats vindt en het naar de mening van de referee te gevaarlijk zou zijn om de race voort te zetten, moet hij de race stoppen. Alleen de referee is bevoegd een race te stoppen.
Elke rijder die om welke reden dan ook geacht wordt de oorzaak te zijn van het stoppen of over rijden van de race, zal niet aan de herstart deel mogen nemen. Een reserve rijder mag zijn plaats niet innemen.
De referee mag elke rijder die gevallen is ten gevolge van ongeoorloofd rijden van een ander of omdat hij noodgedwongen zijn motorfiets heeft neergelegd, toestaan deel te nemen aan de herstart. Elke rijder die in aanmerking komt om deel te nemen aan de herstart mag zijn motorfiets voor de herstart omruilen/verwisselen. Een reserve rijder mag de plaats innemen van een rijder die niet meer deel kan nemen, maar die niet is aangewezen als de veroorzaker van het stoppen van de race. Wanneer zij deelnemen aan de herstart moeten de rijders vanuit hun oorspronkelijke startpositie vertrekken en elke toegestane reserve rijder moet de plaats innemen van de rijder die hij vervangt.
Elke rijder die niet gestart of uitgevallen is (hieronder valt ook het niet met draaiende motor rijden op het moment dat de race gestopt werd) of van de race uitgesloten welke opnieuw verreden moet worden, mag niet aan de herstart deelnemen. Uitgezonderd in het geval wanneer hij is uitgevallen nadat de race is gestopt of hij is gestopt in belang van de veiligheid bij een valpartij zoals hierboven omschreven.
21.20 Berekening van resultaten
Resultaten worden bepaald door behaalde punten die betrekking hebben op de volgorde van binnenkomst. Andere methoden mogen, maar moeten kenbaar gemaakt worden aan de deelnemers. De winnaar van een heat is de rijder die het vereiste aantal ronden heeft afgelegd en als eerste de finish passeert. De rijders die volgen worden geklasseerd op volgorde van binnenkomst. Diskwalificatie staat gelijk aan niet finishen.
21.21 Dead heat
Wanneer twee of meer rijders de finishlijn tegelijkertijd overschrijden, moeten de punten voor e plaatsen gelijk verdeeld worden tussen deze rijders.
d
21.22 Terugtrekking van een rijder, official, organisatie
Elke rijder die zich op de juiste manier voor een wedstrijd heeft aangemeld maar zich niet op tijd meldt om te rijden of die zonder redelijke gronden, dit ter beoordeling van de jury, weigert in zijn race te rijden, maakt zich schuldig aan een overtreding waarvoor hij bestraft kan worden.
Een rijder mag een wedstrijd niet verlaten, zich terugtrekken of met deelname ophouden in een wedstrijd zonder toestemming. Zo'n toestemming kan alleen door de wedstrijdleider worden gegeven. Een organisator, official of een ander persoon die zich terugtrekt, of probeert een rijder van een race of van de wedstrijd terug te trekken (behalve in geval van letsel), is schuldig aan een overtreding waarvoor hij bestraft kan worden.
22. PROTESTEN
Voor protesten en beroepen worden verwezen naar het bepaalde in het Juridisch Reglement. Tegen visuele waarnemingen van Technische Officials, Tijdwaarneming en Referee is geen protest mogelijk.
22.1 Tijdslimiet bij het indienen van protesten
Onverminderd het gestelde in het Motorsport Reglement zijn de volgende regels van toepassing.Protesten met betrekking tot een fout, onregelmatigheid of frauduleuze handeling welke het resultaat van de race of een latere race kan beïnvloeden waarin betrokken rijder
- 17 -
(en/of de betrokken machine) deel moet nemen, moet ingediend worden voordat de rijders de pits verlaten voor die betreffende heat. Mocht de reden voor het protest zich voordoen in de laatste heat van de wedstrijd, dan moet het protest ingediend worden binnen 10 minuten na de finish van die heat.
22.2 Schadeloosstelling
Iedere deelnemer aan een wedstrijd ziet af van het recht tot actie tegen de organisatie, de KNMV, haar officials of andere dienstdoende personen voor elke schade aan hem over-komen als gevolg van welke handeling of verzuim dan ook van de organisatie en/of als gevolg van de wedstrijd af training. Hij ziet verder af van elk appèl bij autoriteiten welke daarvoor niet in de sportvoorschriften zijn aangewezen.
23. ONVOORWAARDELIJKE KNMV STRAFFENLIJST BIJ BAANSPORTWEDSTRIJDEN
Rijders die de hierna genoemde regels/normen overtreden krijgen minimaal de hiervoor vastgestelde straf opgelegd welke kan worden verzwaard maar ook onderdeel kan zijn van een combinatie van straffen opgelegd door de jury op de wedstrijddag. Een en ander volgens het Juridisch Reglement (art.200) zoals omschreven in het Motorsportreglement 2004.
1 Geen of onjuist rugnummer:
1e maal: officiële waarschuwing
2e maal: € 25.--
2 Rijden in het rennerskwartier:
1e maal: € 25.--
2e maal tijdens dezelfde racedag: Uitsluiting gehele wedstrijd
3 Te late inschrijving: € 25.—
racedag op correcte wijze: € 50.--
5 Negeren aanwijzing official:
1e maal: € 50.--
2e maal tijdens dezelfde racedag: Uitsluiting gehele wedstrijd
6 Unfair gedrag voor, tijdens of na de races door rijder of zijn helper/supporter tegenover enig persoon:
a. in woord en gebaar: € 125. en/of uitsluiting gehele wedstrijd
b. gewelddadig/handgemeen/alle handtastelijkheden:
€ 230,- en uitsluiting gehele wedstrijd.
c. betreden ladder naar refereetoren: Uitsluiting gehele wedstrijd.
7 Het nuttigen van enig alcohol houdende drank en/of
na positieve testresultaten: Uitsluiting gehele wedstrijd, boete 100 euro.
8 Vernielingen: Uitsluiting gehele wedstrijd,betalen schade
9 Negeren huldiging uit boosheid: € 125.--
10 Geen milieukleed onder de motor op het rennerskwartier
a)vanaf 30 minuten voor aanvang training: Verbod van deelname en boete 50 euro.
b) vanaf training t/m einde evenement: Diskwalificatie gehele wedstrijd,boete 100 euro.
c) Olie spuiten ketting buiten mill. Kleedje: 50 euro.
11 Afgelopen en loshangend Roll-off lint: Uitsluiting heat/serie (via zwarte vlag bij eerstvolgende doorkomst)
12 Overtreding van art. 13.2: Verwijzing naar Disciplinaire Raad.
Let op: De opgelegde boetes dienen voor de eerstvolgende wedstrijd te zijn voldaan !
Naast alle hierboven genoemde straffen heeft de jury te allen tijde de mogelijkheid een zaak te verwijzen naar de Disciplinaire Raad en/of de voorzitter van de Disciplinaire Raad en de directeur van de KNMV te verzoeken om een onmiddellijke schorsing op te leggen conform het gestelde in art. 200.7 van het Juridisch Reglement.
- 18 -
24. BETALING VAN DE RIJDERS
De betaling van prijzengelden en/of startgelden bij Internationale evenementen is zoals overeengekomen tussen rijders en de organisatie of als omschreven in het aanvullend reglement. Bij nationale evenementen en aan bijprogramma's op internationale
evenementen hoeven geen startgelden worden verstrekt. Betaling van prijzengelden geschiedt volgens vastgestelde prijzenschema's en deze worden jaarlijks door de Baansport Commissie vastgesteld.
De organisator moet de rijders belonen welke in overeenstemming is met zijn volledige of gedeeltelijke deelname aan de wedstrijd. Als een jeugd & nationaal evenement wordt afgelast nadat een aanvang met de training cessies voor dat evenement is gemaakt, kan geen enkele deelnemer aanspraak maken op retournering van het inschrijfgeld. Wordt een jeugd & nationaal evenement voor aanvang van de training cessie van het evenement afgelast, dan zal de organisatie het door de licentiehouder betaalde inschrijfgeld retourneren.
De plaats en het tijdstip van uitbetaling aan de rijders moet vermeld staan in het aanvullend reglement op vertoon van legitimatie of op een andere wijze aangegeven.
25. SLOTBEPALING
In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet beslist de Baansport Commissie van de KNMV.
- 19 -
TECHNISCH
REGLEMENT
BAANSPORT
2004
KNMV
Zijpendaalseweg 1
Postbus 650
6800 AR ARNHEM
Tel. KNMV-Algemeen: 026 - 35 28 510
Tel. KNMV-Sport: 026 - 35 28 515
Fax: 026 - 35 28 522
E-mail: sport@knmv.nl
Internet: www.knmv.nl
Internet www.knmv-baansport.nl
Wijzigingen en/of aanvullingen ten opzichte van het Technisch Reglement Baansport 2003 zijn vet en cursief afgedrukt.
Hiermede komen alle voorgaande edities te vervallen.
- 20 - - 21 -
INHOUDSOPGAVE
1 INLEIDING 24
2 CONSTRUCTIEVRIJHEID 24
3 CATEGORIEËN - GROEPEN - KLASSEN - GEWICHTEN 24
3.01 Categorieën 24
3.02 Groepen 24
3.03 Klassen 24
3.04 Gewichten 25
4 VOLUME BEPALING 25
4.01 Zuigermotoren werkend volgens het "Otto-principe" 25
4.02 Motoren werkend volgens het "Wankel" principe 26
4.03 Overmaatzuiger / Cilinderboring 26
5 DRUKVULLING 26
6 NAAMGEVING 26
7 ALGEMENE SPECIFICATIE(S) 26
7.01 Startinrichting 26
7.02 Uitlaatsystemen 26
7.02.01 Voor Specials, Speedway, IJsracers en Zijspanmotoren 26
7.02.02 Overige Baansportmotoren 28
7.03 Sturen en Handbeschermers 28
7.04 Bedieningshendels 29
7.05 Gashendel 29
7.06 Kortsluitcontact 29
7.07 Kabels 30
7.08 Hydraulische leidingen 30
7.09 Voetsteunen 30
7.10 Remmen 31
7.11 Spatbord(en) 31
7.12 Stroomlijning 32
7.13 Wielen en Velgen 32
7.14 Nummerborden 32
7.15 Olieleidingen en pluggen 34
7.17 Kettingscherm(en) 34
7.18 Hellingshoek 35
7.19 Titanium en Lichtmetaal 35
7.20 Cilinderaantal 35
7.21 Olie-opvangtank 35
7.22 Voorvork 35
8 BANDEN 35
8.01 Speedwaymotoren 35
8.02 Grasbaanmotoren 37
8.03 IJsracemotoren 37
8.04 Grasbaan-Zijspancombinaties 37
9 AANVULLENDE TECHNISCHE BEPALINGEN GRASBAAN ZIJSPANCOMBINATIES 38
9.01 Algemeen 38
9.02 Afmetingen 40
9.03 Wielen en Velgen 40
10 AANVULLENDE TECHNISCHE BEPALINGEN BAANSPORTMACHINES 41
10.01 Krachtbron 41
10.02 Carburateur 41
11 AANVULLENDE TECHNISCHE BEPALINGEN JEUGD & NATIONAAL BAANSPORT
50CC T/M 125CC KLASSEN 42
- 22 -
11.01 Algemeen 42
11.02 Klassen 42
11.03 Bepalingen 42
12 AANVULLENDE TECHNISCHE BEPALINGEN int. Solo KLASSEN GRASBAAN v.a 125 cc 42
12.01 Algemeen 42
12.02 Klassen 42
12.03 Bepalingen 42
14 BRANDSTOF 44
14.01 Specials, Speedway, Zijspan, IJsracers 44
14.02 Andere Klassen 44
15 KOELVLOEISTOF 44
16 UITRUSTING 44
16.01 Algemeen 44
16.02 Kleding 44
16.03 Helmen 46
16.04 Inspectie van Helmen 47
16.05 Oogbescherming 48
16.06 Rugnummers 48
17 CONTROLE EN KEURING 49
17.01 Algemeen 49
17.02 De Keuring 49
17.03 Gevaarlijke machines 50
17.04 Parc Fermé 50
18 GELUIDSCONTROLE 50
18.01 De meting 50
18.02 Nacontrole 52
18.03 Dempers 52
20 AANVULLENDE TECHNISCHE BEPALINGEN voor OMBOUW BAANMOTOR TOT NAT.IJSRACEMACHINE 53
20.01 Algemeen 53
20.02 Klassen 53
20.03 Banden 53
20.04 Afscherming Voorwiel 54
20.05 Afscherming Achterwiel 54
21 AANVULLENDE BEPALINGEN 125cc SPECIAL/SPEEDWAY KLASSE 54
21.01 Algemeen 54
21.02 Frame 54
21.03 Wielen 54
21.04 Banden 55
21.05 Remmen 55
21.06 Krachtbron / incl. inlaat en uitlaat 55
21.07 Brandstof 55
21.08 Nummerborden 55
21.09 Stalen slof 55
21.10 Kleding / body protector 55
22 TECHNISCHE COMMISSIE 55
TEKENING G 56
TEKENING Gbis 57
TEKENING H 58
TEKENING K 59
TEKENING L 60
TEKENING O 61
- 23 -
TEKENING P, Q 62
TEKENING R, U 63
TEKENING S 64
- 24 -
1 INLEIDING
Het begrip motorfiets omvat alle voertuigen met minder dan 4 wielen die worden aan-gedreven door een krachtbron, en ontworpen zijn voor het vervoer van één of meerdere personen waarvan er één het voertuig bestuurt. De wielen dienen zoveel mogelijk met de grond in aanraking te blijven.
2 CONSTRUCTIEVRIJHEID
Vooropgesteld dat motoren voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in dit Technisch Reglement Baansport, worden er geen beperkingen opgelegd ten aanzien van fabrikaat, de constructie en/of het type motorfiets.
3 CATEGORIEËN - GROEPEN - KLASSEN - GEWICHTEN
3.01 Categorieën
Motorfietsen voortbewogen door middel van een of meer wielen in contact met het grondoppervlak.
3.02 Groepen
A I: Solo motoren: 2-wielige voertuigen die één spoor op de grond achterlaten.
B 2: Voertuigen op 3 wielen die in voorwaartse richting 2 of 3 sporen op de grond achterlaten en die door een permanent bevestigd zijspan één integraal geheel vormen. Indien er 3 sporen zijn gemaakt, mogen de hartlijnen van twee van die sporen niet meer dan 7.5 cm uiteen liggen.
3.02.01
Alle solomotoren dienen zodanig geconstrueerd te zijn dat ze volledig kunnen worden bediend door de berijder.
3.02.02
Motorfietsen met zijspan moeten zijn uitgerust voor het vervoer van één passagier.
3.02.03
Het is niet toegestaan dat special/speedway, solo en zijspanmotoren in dezelfde heat uitkomen.
3.03 KLASSEN
3.03.01
Groepen worden verdeeld in klassen naar hun cilinderinhoud en wielmaat zoals in het Technisch Reglement Baansport en de daaruit voortvloeiende Aanvullende Bepalingen Baansport nader zijn aangegeven.
Klasse inhoud max. cil
50 cc v.a. 40 cc tot 50 cc 1
/viertakt. v.a 50cc tot 75cc 1
65 cc v.a. 55 cc tot 65 cc 1
/viertakt. v.a. 70cc tot 100cc 1
85 cc v.a. 70 cc tot 85 cc 1
/Damesklasse v.a. 100 cc tot 125 cc 1
125cc v.a. 100 cc tot 125 cc 1
/viertakt. v.a. 175cc t/m 250cc 1
Int. Runnerup v.a. 250cc t/m 550cc 1
/Viertakt. v.a. 290cc t/m 750cc 1
Int. Shorttrackklasse v.a. 250cc t/m 550cc 1
/viertakt. v.a. 290cc t/m 750cc 1
Zijspan 500 cc v.a. 350 cc tot 500 cc 1
125 cc Specials/Speedway v.a. 100 cc tot 125 cc 1
Specials/Speedway v.a. 350 cc tot 500 cc 1
- 25 -
Jeugd klassen max wielmaat Voor Achter
50cc 15" 12"
65cc 17" 14"
85cc 17" 14"
125cc Special /Speedway 23" 22"
3.03.02
Het aantal verbrandingskamers bepaalt het aantal cilinders, waarbij één verbrandingskamer voor één cilinder wordt aangemerkt.
3.03.03
Wanneer verbrandingskamers met elkaar verbonden worden, om zodoende één cilinder te verkrijgen, dan dient er een niet gerestricteerde verbinding met een minimale oppervlakte van 50% van de aanwezige totale inlaatpoort oppervlakte aanwezig te zijn tussen de beide verbonden verbrandingskamers.
3.04 Gewichten
3.04.01
De minimum gewichten bedragen:
Speedwaymotoren 80 kg (1)
Grasbaanmotoren 85 kg (1)
125cc Special/speedway 60 kg
IJsracemotoren 110 kg (1)
Grasbaanzijspancombinatie 120 kg (1)
(1) Zonder brandstof in de tank.
4 VOLUME BEPALING
4.01 Zuigermotor werkend volgens het "Otto-principe".
Het volume van elke cilinder van een motor wordt berekend volgens de formule:
volume = D5 x 3.1416 x S
4
waarin D = boring en S = slag.
4.01.01
De boring en slag zullen middels het meten met daarvoor geëigende meetapparatuur worden vastgesteld.
4.01.02
De cilinderinhoud van een motor is gelijk aan de som van de slagvolumes van alle arbeidscilinders. Deze cilinderinhoud mag niet groter zijn dan de voorgeschreven cilinder-inhoud van de klasse, waarin de motor wordt gebruikt.
4.01.03
Bij niet ronde boringen moet het zuigeroppervlak worden bepaald met behulp van een voor de betreffende motor geschikte methode.
4.01.04
Op bedrijfstemperatuur wordt bij het meten van "D" een tolerantie van 0,1 mm per cilinder toegestaan. De diameter die voor de berekening van de cilinderinhoud wordt genomen mag 0,1 mm kleiner zijn dan de gemeten diameter. Wanneer de dan berekende cilinder-inhoud groter is dan de maximale cilinderinhoud van de desbetreffende klasse, moet bij koude motor opnieuw gemeten worden. De dan gemeten diameter wordt genomen voor het berekenen van de cilinderinhoud.
- 26 -
4.02 Motoren werkend volgens het "Wankel" Principe
Het volume in cc's voor een Wankel motor met afgeronde driehoekige rotor(s) wordt berekend volgens de formule:
volume = (Vmax. - Vmin.) x D
Vmax. = het grootste volume van een kamer.
Vmin. = het kleinste volume van een kamer.
D = aantal rotors.
De meting dient te geschieden middels het uitliteren van de kamers in Vmax. en Vmin. positie.
4.03 Overmaat zuiger / Cilinderboring
4.03.01
De boringen mogen worden vergroot voor zover de maximale inhoud van de klasse daardoor niet wordt overschreden.
4.03.02
Voor motoren t/m 50cc is een tolerantie naar boven van maximaal 5 % op de cilinderinhoud toegestaan.
5 DRUKVULLING
5.01.01
Geen enkele vorm van mechanische drukvulling is toegestaan.
5.01.02
Inspuiting van brandstof wordt niet beschouwd als drukvulling.
6 NAAMGEVING
De naamgeving van de motorfiets is vrij.
7 ALGEMENE SPECIFICATIE(S)
De navolgende specificaties zijn van toepassing op alle motoren van de vermelde groepen. Nadere specificaties kunnen bij bepaalde wedstrijden noodzakelijk zijn. Deze zullen worden omschreven in de Aanvullende Reglementen voor de wedstrijd in kwestie.
7.01 STARTINRICHTING
7.01.01
Een startinrichting is niet verplicht.
7.02 Uitlaatsystemen
7.02.01
Voor Specials, Speedway motoren, IJsracers en Zijspanmotoren.
7.02.01.01
Uitlaatpijp(en) en demper(s) moeten voldoen aan alle bepalingen met betrekking tot de geluidsmeting.
7.02.01.02
Het uiteinde van de uitlaatpijp(en) moet over een lengte van ten minste 3 cm horizontaal en parallel aan de hartlijn van een (solo)motorfiets lopen, met een tolerantie van 10.
7.02.01.03
Uitlaatgassen moeten zodanig worden afgevoerd dat ze niet de banden of remmen bevuilen.
7.02.01.04
Het uiteinde van de uitlaatpijp(en) mag niet voorbij de verticale raaklijn aan de achterband
- 27 -
uitsteken, maar moet wel voorbij de achteras eindigen.
7.02.01.05
Bij een zijspancombinatie moet de uitlaat horizontaal en achterwaarts gericht uitmonden, met een maximale hoek van 30º op de lengteas.
7.02.01.06
De ruimte tussen de demper en de achterband mag niet meer bedragen dan 60 mm. (zie tekening P).
7.02.01.07
Indien de demper is voorzien van een tailpijp die langer is dan 30 mm (een gedeelte pijp dat achter uit de demper steekt) en de ruimte tussen de tailpijp en de band meer dan 60 mm bedraagt, dan is het vereist de tailpijp met de buitenmantel te verbinden door middel van een beugel met een minimale breedte van 25 mm, en een minimale dikte van 2 mm.
7.02.01.08
De uitlaatpijp dient op drie verschillende punten aan het frame te zijn bevestigd.
7.02.01.09
De aansluiting aan de cilinderkop wordt als één bevestigingspunt aangemerkt.
7.02.01.10
De demper dient op twee verschillende punten aan het frame te zijn bevestigd.
7.02.01.11
Eén van de bevestigingspunten dient ten alle tijden te bestaan uit een staalkabel met een minimum dikte van 3 mm, bevestigd ergens aan het eerste 1/3e gedeelte van de demper, en aan het frame. Bij breuk van een van de andere bevestigingen van de demper moet de staalkabel de demper op de plaats houden.
7.02.01.12
De staalkabel met zijn bevestigingsogen mag niet langer zijn dan de kortste afstand gemeten tussen de beide bevestigingspunten (demper en frame).
7.02.01.13
De buiten diameter van de uitlaatpijp mag niet meer bedragen dan φ 50 mm of een daaraan gelijkgestelde oppervlakte.
7.02.01.14
De uitlaatpijp moet over zijn volledige lengte gelijk van diameter c.q. oppervlakte blijven.
7.02.01.15
De doorlaat aan de uitgang van de demper (aan de atmosferische zijde), mag over een lengte van ten minste 50 mm niet meer bedragen dan φ 45 mm of een daaraan gelijkgestelde oppervlakte.
7.02.01.16
Het gedeelte omschreven in Art. 07.02.01.15 mag niet voorzien zijn van gaten of sleuven.
7.02.01.17
Het demping materiaal van een uitlaatdemper mag worden aangevuld en/of vernieuwd middels een absorptie materiaal, het gebruik van glasvezel is verboden
7.02.01.18
Het demontabele gedeelte van de demper dient op een deugdelijke wijze te zijn gemonteerd.
- 28 -
7.02.01.19
Eventuele boutjes dienen te zijn geborgd met borgdraad.
7.02.01.20
Trekveren als bevestiging niet toegestaan.
7.02.01.21
De doorlaat aan het uiteinde van de demper dient haaks te zijn afgesneden tek. G,H,K,P).
7.02.02 Overige Baansportmotoren
7.02.02.01
Uitlaatpijp(en) en demper(s) moeten voldoen aan alle bepalingen met betrekking tot de geluidsmeting.
7.02.02.02
Het uiteinde van de uitlaatpijp(en) moet over een lengte van ten minste 3 cm horizontaal en parallel aan de hartlijn van een (solo)motorfiets lopen, met een tolerantie van 10º.
Het uiteinde mag niet meer dan 5mm buiten de demperbus uitsteken. Alle scherpe randen dienen te zijn afgerond met een straal van tenminste 2mm.
7.02.02.03
De laatste 3 cm moet van gelijkblijvende diameter zijn.
7.02.02.04
Uitlaatgassen moeten zodanig worden afgevoerd dat deze niet de banden of remmen bevuilen.
7.02.02.05
Bij solomotoren mag het uiteinde van de uitlaatpijp(en) niet voorbij de verticale raaklijn aan de achterband uitsteken.
7.03 Sturen en Handbeschermers
7.03.01
Voor alle Speedway, Grasbaanspecialmotoren en Grasbaanzijspancombinaties geldt dat de stuurbreedte niet minder dan 70 cm en niet meer dan 90 cm mag bedragen.
7.03.01.01
Voor IJsracemachines geldt dat de stuurbreedte niet meer dan 80 cm mag bedragen.
7.03.01.02
Voor klassen t/m 85 cc geldt dat de stuurbreedte niet minder dan 50 cm en niet meer dan 75 cm mag bedragen.
7.03.01.03
Voor motoren in alle andere klassen geldt dat de stuurbreedte niet minder dan 60 cm, en niet meer dan 85 cm mag bedragen.
7.03.02
De handgrepen (rubbers) mogen niet langer zijn dan 15 cm.
7.03.03
De handgrepen (rubbers) moeten zich aan de uiteinden van het stuur bevinden.
7.03.04
De handgrepen (rubbers) mogen niet van invloed zijn op het meten van de minimale en maximale stuurbreedte, gemeten over de stuuruiteinden.
- 29 -
7.03.05
Open stuuruiteinden moeten deugdelijk zijn opgevuld middels een solide materiaal of met een afgesloten rubberhandgreep zijn afgedekt.
7.03.06
Bij alle baansportmachines moet bij het gebruik van een lichtmetalen stuur de onderlinge klemafstand tussen de stuurklemmen minimaal 12 cm bedragen.
7.03.07
Stuurklemmen moeten zijn afgerond.
7.03.08
Handbeschermers indien gemonteerd, moeten van een splintervrij materiaal gemaakt zijn, en een permanente opening voor de handen bieden.
7.03.09
Voor Baansportmachines is het gebruik van Clip-ons (bestaan uit twee losse delen) verboden.
7.03.10
Indien gemonteerd mogen handbeschermers de maximale stuurbreedte niet overschrijden.
7.03.11
Indien het stuur voorzien is van een verstevigingstang, tussen het linker en rechter stuurgedeelte, moet deze voorzien zijn van een uit schuimkunststof vervaardigde stootbeschermer.
7.03.12
Het gebruik van een gerepareerd lichtmetalen stuur is verboden.
7.04 Bedieningshendels
7.04.01
Alle hendels moeten eindigen in een bolvorm met een diameter van ten minste φ 14 mm die één geheel vormt met de hendel.
7.04.02
De lengte van de hendel(s) vanaf het draaipunt tot aan de buitenzijde van de bol gemeten, mag maximaal 20 cm bedragen.
7.04.03
U-vorm profiel hendels zijn verboden.
7.05 Gashendel
7.05.01
Het gashendel moet van het zelfsluitende type zijn.
7.06 Kortsluitcontact
7.06.01
Elke Baansportmachine moet voorzien zijn van een schakelaar met een tweepolig aansluiting die bij doorverbinding het uitschakelen van de ontsteking tot gevolg heeft, de massa aansluiting dient direct aan het motorblok bevestigd te zijn. Dit "kortsluitcontact" dient goed toegankelijk en op het stuurgedeelte gemonteerd te zijn.
7.06.02
De ontsteking van elke baansportmachine zal moeten worden uitgeschakeld zodra de bestuurder de machine verlaat. Hiertoe is de rechter pols van de bestuurder verbonden met een op het stuur bevestigde schakelaar (Zie art. 07.06.01) middels een niet elastische draad
- 30 -
met een treksterkte van minimaal 500N. De lengte van de genoemde draad mag maximaal 0,6 meter bedragen. Bevestiging van de draad aan kledingstukken (handschoenen, racekleding etc.) is niet toegestaan.
7.07 Kabels
7.07.01
Kabel(s) van gas-, koppeling, en andere bediening mogen geen breuken vertonen en moeten deugdelijk zijn gemonteerd.
7.07.02
De voetrembediening-binnenkabel moet minimaal φ 2,5 mm zijn.
7.07.04
Het gebruik van snelnippel(s) aan rem- en/of koppelingskabel(s) is niet toegestaan.
7.08 Hydraulische leidingen
7.08.01
Hydraulische leidingen van rem en koppeling bediening mogen geen externe beschadiging vertonen.
7.08.02
De hydraulische leidingen dienen op een dusdanige wijze te zijn gemonteerd dat deze nimmer in contact kunnen komen met een van de wielen en/of draaiende delen van de motor.
7.08.03
De leidingen mogen geen lekkage van (rem)vloeistof vertonen.
7.09 Voetsteunen
7.09.01
Voetsteunen moeten aan het uiteinde zijn afgerond met een straal van ten minste R=8 mm.
7.09.02
Voetsteunen mogen niet hoger zijn geplaatst dan 5 cm boven de wielassen, gemeten als de machine normaal beladen is.
7.09.03
Voetsteunen moeten vóór een denkbeeldige verticale lijn door de achteras zijn geplaatst.
7.09.04
Voor alle Speedway motoren, Specials en IJsracers geldt dat de voetsteun die aan de rechterzijde is gemonteerd moet voldoen aan de volgende specificaties.
7.09.04.01
Maximale lengte mag 32 cm bedragen, gemeten vanuit de hartlijn van de machine.
7.09.04.02
De voetsteun moet eindigen in een bolvorm met een diameter van ten minste φ 40 mm en een afronding van R = 8 mm (Tekening K).
7.09.04.03
Voor Int. Shorttrack/runnerup geldt dat voetsteunen zoals origineel af fabriek gemonteerd moeten zijn.
7.09.05
Voor grasbaanzijspancombinaties geldt dat de voetsteun die aan de andere zijde dan waar het zijspan gemonteerd is, door een naar voren gemonteerde beugel stevig aan het frame moet zijn verbonden.
- 31 -
7.09.05.01
Deze voetsteun moet op een hoogte van ten minste 15 cm boven het grondoppervlak zijn aangebracht, gemeten in beladen toestand.
7.10 Remmen
7.10.01
Voor alle baansport klassen geldt dat remmen niet zijn toegestaan.
7.11 Spatbord(en)
7.11.01
Het gebruik van spatborden is vereist.
7.11.02
Voor Speedway en Grasbaanmotoren geldt het navolgende.
7.11.02.01
Het voorspatbord moet bestaan uit een afscherming welke ten minste 5º voorbij een verticale lijn getrokken door de vooras, en naar achteren ten minste 5º voorbij de bovenrand van de motor reikt.
7.11.02.02
Het motorblok dient afgeschermd te zijn.
7.11.03
Het achterspatbord moet ten minste 5º voorbij een verticale lijn getrokken door de achteras reiken.
7.11.03.01
Voor speedway motoren is een zgn. "Dirtdeflector" verplicht. Toegestaan zijn: door de FIM gehomologeerde Dirtdeflectors en fabrieksmatig geproduceerde dirtdeflectors die door of namens het technisch lid van de Baansport Commissie zijn goedgekeurd. Tekening S.
7.11.04
Spatborden moeten zijn vervaardigd uit een soepel materiaal.
7.11.05
Spatbord hoeken en randen moeten zijn afgerond.
7.11.06
Voor IJsracemachines geldt het navolgende.
7.11.06.01
Metalen voorspatborden mogen worden vervangen door een beschermende buisconstructie, welke niet uit verschillende delen mag bestaan.
7.11.06.02
Deze buisconstructie moet minimaal op drie (3) plaatsen zijn bevestigd.
7.11.06.03
Aan zowel de voor- als achterkant van het voorwiel mag de afstand gemeten van het grondoppervlak tot aan de buisconstructie maximaal 25 cm bedragen.
7.11.06.04
Aan zowel de voor- als achterkant van het achterwiel mag de afstand gemeten van het grondoppervlak tot aan de buisconstructie maximaal 25 cm bedragen.
- 32 -
7.11.06.05
Het achterspatbord moet aan de linkerzijde over de gehele oppervlakte van het wiel in een horizontale lijn tot aan de achteras reiken. Dit mag bestaan uit een kunststof dan wel metalen plaat.
7.12 Stroomlijning
7.12.01
Een beperkte mate van stroomlijnomhulling op een solomotor, alsmede een zijspancom-binatie is (als experiment in 2004) toegestaan, mits vooraf toestemming is verkregen van de verantwoordelijke technisch official uit de Baansportcommissie. De stroomlijnomhulling mag geen gevaar opleveren voor de coureurs.
7.13 Wielen en Velgen
7.13.01
Iedere verandering aan de originele staat van velgen, spaken of gegoten wielen, zoals deze door de fabrikant geleverd zijn is verboden.
7.13.02
Het aanbrengen van gaten voor schroeven of klemmen ter voorkoming van het draaien van de band ten opzichte van de velg is toegestaan.
7.13.03
Indien deze gaten aanwezig zijn, dan dienen schroeven of klemmen ook daadwerkelijk te worden gebruikt.
7.13.04
Indien bij Baansportmotoren gegoten of gelaste wielen worden gebruikt, dan moeten de spaken middels een kunststof plaat op een deugdelijke wijze zijn afgedekt.
7.13.05
oor Speedwaymotoren bedraagt de toegelaten velgmaat: WM3-2.15 x 19"
V
7.14 Nummerborden
7.14.01
Nummerborden zijn niet vereist op IJsracemotoren.
7.14.02
Op zowel Grasbaan- solomotoren, grasbaan-zijspancombinaties, speedwaymotoren als speedway-zijspancombibaties dienen 3 nummerborden te zijn aangebracht, Één aan de voorzijde en één aan elke zijkant (zijnummerplaat).
7.14.02.01
Op speedway- en special motoren is een voornummerbord verplicht. De helling aan de voorzijde mag maximaal 30 uit het verticaal bedragen.
7.14.03
Nummerborden moeten duidelijk zichtbaar zijn en niet mogen niet worden afgedekt door delen van de motorfiets of de (be)rijder, in welke positie dan ook.
7.14.04
Nummerborden moeten zijn vervaardigd van een solide materiaal.
7.14.05
De afmetingen van de nummerborden moeten minimaal 285 x 235 mm bedragen. (geldt niet voor speedwaymotoren.)
- 33 -
7.14.05.01
Voor de afmetingen van beide zijnummerborden van Specialmotoren en speedwaymotoren geldt dat deze minimaal 200 x 165 mm dienen te zijn.
7.14.05.02
Voor speedwaymotoren moeten afmetingen van de nummerborden aan de voorzijde minimaal 200x200 mm bedragen. Hiervan kan worden afgeweken mits voorafgaande toestemming is verkregen van het technisch lid van de Baansport Commissie.
7.14.06
Nummerborden mogen niet meer dan 50 mm zijn doorgezet.
7.14.07
De nummerbord-achtergrondkleur alsmede de cijfers moeten in een mat kleur zijn aangebracht.
7.14.08
De zijnummerplaten dienen te zijn aangebracht boven de denkbeeldig getrokken horizontale lijn door de wielassen.
7.14.09
Voor een zijspancombinatie geldt dat het rijnummer aangebracht op het zijspan parallel aan het zijspanwiel moet worden geplaatst (tekening O en L).
7.14.10
De minimum afmetingen van de cijfers bedragen;
Hoogte 140 mm
Breedte (per cijfer) 80 mm
Lijndikte 25 mm
Tussenruimte 15 mm
7.14.11
De Engelse cijfervorm moet worden gebruikt. Dat betekent dat een enkele verticale lijn voor het cijfer 1, en een enkelvoudige hellende lijn met één horizontale lijn voor het cijfer 7 dient te worden gebruikt.
7.14.12
Alle andere nummers of tekens op een motorfiets welke tot verwarring met het rijnummer kunnen leiden zijn niet toegestaan.
7.14.13
Rond de voorgeschreven afmetingen van de nummerborden moet een ruimte van 1 cm vrij blijven van reclame (tenzij in het Motorsportreglement of haar Aanvullende Bepalingen anders is voorgeschreven).
7.14.14
De kleuren van de achtergrond en van de cijfers dienen overeen te komen met de RAL kleurencode, en tevens met de inhoudsklasse en het soort wedstrijd waarin gereden wordt.
7.14.15
RAL Kleuren code Tabel.
Zwart 9005, Blauw 5010, Geel 1003, Rood 3020, Groen 6002, Wit 9010
7.14.16
Voor Grasbaanmotoren gelden de volgende kleurencombinaties.
Klasse kleur kleur
Achtergrond cijfer
- 34 -
50 Zwart Wit
65 cc Geel Zwart
85 cc Groen Wit
Damesklasse Zwart Wit
125 cc Jeugd. Wit Zwart
125 cc Blauw Wit
Int.Runnerup klasse Geel Zwart
Specials Nationaa l Blauw Wit
Int. Shorttrackklasse Geel Zwart
Specials Sen/Int. Geel Zwart
Speedway Geel Zwart
125 cc Special Groen Wit
Zijspan 500 cc Geel Zwart
7.14.17
Motoren met nummerborden welke niet aan bovenstaande regels voldoen zullen niet tot de keuring worden toegelaten en derhalve niet aan de training en wedstrijd worden toegelaten.
7.15 Olieleidingen en pluggen
7.15.01
Alle aftappluggen en vuldoppen en olieleidingen dienen onder alle omstandigheden deugdelijk af te dichten.
7.17 Kettingscherm(en)
7.17.01
Voor alle Baansportmotoren geldt dat, opendraaiende delen van de primaire transmissie, en de koppeling op deugdelijke wijze moeten zijn afgeschermd.
7.17.02
et voorste kettingtandwiel van de secundaire aandrijving moet zijn afgeschermd.
H
7.17.03
Een goede afscherming dient te zijn aangebracht, daar waar de ketting het achtertandwiel p loopt.
o
7.17.03.01
Dit scherm dient de gehele ingaande hoek van het tandwiel beneden de achtervork af te
chermen.
s
7.17.03.02
Speedway motoren dienen een van een afschermingplaat te zijn voorzien welke de ketting n het achtertandwiel afschermt. (Zie tekening G.)
e
7.17.04
Er dient een voorziening te worden getroffen om te voorkomen dat een gebroken primaire etting omhoog kan slaan.
k
7.17.04.01
Dit kan door hetzij een volledig gesloten stalen kast of als er een gedeeltelijk open- of een kunststof kast wordt gebruikt, door een stalen bout waarvan de binnendiameter minimaal gelijk is aan die van M10 onder het koppeling tandwiel te plaatsen (zie tekening G/H/K).
7.17.04.02
Deze bout moet na een beschadiging ten allen tijde geheel worden vervangen.
- 35 -
7.17.05
Aan de gehele motorfiets mag zich geen enkele voorziening bevinden, welke zou kunnen dienen als smering voor open kettingen en tandwielen.
7.18 Hellingshoek
7.18.01
De hellingshoek voor ijsracers bedraagt minimaal 68º.
7.19 Titanium en Lichtmetaal
7.19.01
Voor Speedway motoren, Specials, IJsracers en Zijspanmotoren geldt dat het gebruik van titanium in zowel het motorblok als het rijwielgedeelte niet is toegestaan.
7.19.02
Voor Speedway motoren, Specials, IJsracers en Zijspanmotoren geldt dat het gebruik van lichtmetaal (legering) voor wielassen is verboden.
7.20 Cilinderaantal
7.20.01
Slechts één (1) cilinder motoren zijn toegestaan in de Baansport.
7.21 Olie-opvangtank
7.21.01
Op alle Baansportmachines dient een deugdelijk geconstrueerd olie-opvangtankje aanwezig te zijn met een inhoud van tenminste 300 cc.
7.21.02
Het olie-opvangtankje dient deugdelijk bevestigd te zijn.
Elastiek, tape, etc. zijn geen deugdelijke bevestigingen, derhalve niet toegelaten.
7.21.03
Voor de aanvang van elke heat of race dient het olie opvangtankje leeg te zijn. (het dient in de daarvoor aangewezen voorziening in het rennerskwartier geleegd te worden)
7.21.04
De carterontluchting moet uitmonden in een olie-opvangtankje. Zie voor de eisen die aan een dergelijk tankje worden gesteld de punten 7.21.01, 7.21.02 en 7.21.03.
7.22 Voorvork
Voorvorken van het swingarm type dienen te zijn voorzien van een beveiliging tegen het doorslaan van de vork indien de veer elastieken defect raken. De maximum veerweg moet beperkt worden door deze voorziening.
8 BANDEN
8.01 Speedwaymotoren
8.01.01
Banden worden gemeten in gemonteerde toestand bij een druk van 1 atm, op een sectie ter hoogte van 90° van het grondoppervlak.
8.01.02
De totale breedte van de achterband mag niet meer bedragen dan 100 mm.
8.01.03
De profieldiepte (A) mag niet meer bedragen dan 8 mm, haaks op het loopvlak gemeten.
- 36 -
8.01.04
Alle blokken, gelegen op één cirkel omtrek, moeten van gelijke hoogte zijn (tekening G).
8.01.05
De ruimte tussen de blokken mag in dwarsrichting niet meer bedragen dan 9,5 mm (B) of ten hoogste 13 mm in de langsrichting.
8.01.06
De ruimte tussen de schouderblokken (D) mag niet meer bedragen dan 22 mm.
8.01.07
De radiaal over het loopvlak verlopen ruimte tussen de blokken (E), mag niet van wang tot wang doorlopen zonder door een blok te worden onderbroken.
8.01.08
Alle zijden van een nop moeten evenwijdig aan- of haaks op- de hartlijn van de band lopen. (Dit is niet op schouderblokken van toepassing.)
8.01.09
Het loopvlak mag niet worden voorzien van spikes, kettingen of dergelijke.
8.01.10
Het aanbrengen van verandering op of aan het profiel c.q. loopvlak van de band is niet toegestaan.
8.01.11
Voor de voorband geldt als enige beperking dat de totale breedte niet meer mag zijn dan 80 mm.
8.01.12
Achterbanden moeten worden gehomologeerd door of vanwege de FIM. Hieruit volgt een homologatienummer (CT/SW,-jaartal en -nummer) dat in de band moet zijn aangebracht.
8.01.12.01
De navolgende banden zijn gehomologeerd en derhalve voor gebruik toegestaan:
Dunlop 3.75"-19" CT.SW.84.03.
Pirelli 100/90-19MT 36 CT.SW.84.06
Kenda 3.50"-19" CT.SW.85.09
Barum/mitas 3.75"-19" SW16 CT.SW.90.14
Barum/mitas SW19
Barum/mitas SW 16A
8.01.13
Banden moeten zijn gemonteerd op WM3 - 2.15 x 19" velgen.
8.01.14
Ventielen van banden moeten zijn voorzien van, bij voorkeur metalen, ventieldoppen.
8.01.15
Tijdens N.K. Wedstrijden is het gebruik van maximaal 1 band per evenement toegestaan.
- 37 -
8.02 Grasbaanmotoren
8.02.01
Banden worden gemeten in gemonteerde toestand bij een druk van 1 atm, op een sectie ter hoogte van 90° van het grondoppervlak.
8.02.02
Achterbanden voor Grasbaanspecials moeten een diameter hebben van 22".
8.02.03
De totale breedte van de achterband mag niet meer bedragen dan 100 mm.
8.02.04
Achterbanden grasbaan specials moeten zijn voorzien van een "baansportprofiel".
8.02.05
Er zijn geen beperkingen m.b.t. de maat/type van de voorband.
8.02.06
Elke niet van fabriekswege toegebrachte verandering op of aan het profiel van de band is verboden.
8.02.07
Ventielen van banden moeten zijn voorzien van, bij voorkeur metalen, ventieldoppen.
8.03 IJsracemotoren
8.03.01
Banden worden gemeten in gemonteerde toestand bij een druk van 1 atm, op een sectie ter hoogte van 90 van het grondoppervlak.
8.03.02
De banden moeten van een speciale uitvoering zijn.
8.03.03
De maten zijn:
voorband: 23" en breed max. 100 mm
achterband: 19" en breed max. 100 mm
8.03.04
Het loopvlak moet voorzien zijn van spikes.
8.03.05
De maximale lengte van een spike, gemeten vanaf het bandoppervlak of het vlak van de bevestiging, mag niet meer bedragen dan 28 mm, gemeten met een pijpje met een binnen diameter van φ 15 mm (tekening H).
8.03.06
Spikes gemonteerd aan de rechterzijde van de voorband, zodanig dat zij buiten de uiterste breedte van de band steken, is niet toegestaan.
8.03.07
Ventielen van banden moeten zijn voorzien van, bij voorkeur metalen, ventieldoppen.
8.04 Grasbaan-Zijspancombinaties
8.04.01
De breedte maat en uitvoering van de voorband is vrij, de minimum diameter bedraagt echter 18"(inch).
- 38 -
8.04.02
Elke niet van fabriekswege toegebrachte verandering op of aan het profiel van de band is verboden.
8.04.03
De achterband maat bedraagt bv: 3,50 x 18/19/.../22".
Met als maximum breedte 100mm.
8.04.04
Ventielen van banden moeten zijn voorzien van, bij voorkeur metalen, ventieldoppen.
9 AANVULLENDE TECHNISCHE BEPALINGEN GRASBAAN-ZIJSPANCOMBINATIES
9.01 Algemeen
9.01.01
De aandrijving mag slechts door het achterwiel van de motorfiets gebeuren.
9.01.02
De randen en hoeken van de beplating dienen te zijn afgerond.
9.01.03
Het stuur en/of de stuurdelen dienen stevig aan de voorvork te zijn bevestigd.
9.01.04
Het stuur moet hoger zijn geplaatst dan het midden van de zitplaats van de berijder.
9.01.05
Er moet een balhoofdconstructie worden gebruikt welke, evenals het stuur en/of de stuur-delen, geen deel uit mag maken van het onafgeveerde gewicht.
9.01.06
Het is toegestaan het voor- en achterwiel tot een maximum van 75 mm uit lijn te plaatsen.
9.01.07
De brandstoftank moet deugdelijk beschermd zijn.
9.01.08
Meehellende zijspannen zijn verboden.
9.01.01
Indien het zijspan niet als één geheel met de motorfiets is gebouwd moet het op minstens 3 punten aan de motorfiets zijn bevestigd.
9.01.10
Indien de dwarshelling instelbaar is zal dit niet slechts door een klempassing zijn.
9.01.11
De afstand tussen het spoor van het achterwiel en het zijspanwiel mag ten minste 800 mm en ten hoogste 1100 mm bedragen.
9.01.12
Aan de zijde van een zijspancombinatie waar het zijspan niet gemonteerd is mag het uitlaatsysteem niet meer dan 330 mm uit de combinatiehartlijn steken.
9.01.13
Aan de gemonteerde zijspan zijde mag het uitlaatsysteem niet buiten het zijspan steken (tekening L).
- 39 -
9.01.14
Het uitlaatsysteem mag niet verder achterwaarts reiken dan de verticale raaklijn getrokken langs de achterband van de machine of de zijspanbodem indien dat de achterzijde van de machine is.
9.01.15
De positie van de krachtbron is vrij, met dien verstande dat het motorblok vóór het achterwiel is geplaatst.
9.01.16
De hartlijn van het motorblok mag maximaal 160 mm ten opzichte van het achterwiel worden verplaatst.
9.01.17
Stalen schertsplaten voor motor- en versnellingsbak bevestiging moeten een dikte hebben van ten minste 4 mm, indien uitgevoerd in lichtmetaal ten minste een dikte van 5 mm.
9.01.18
De grondspeling van een combinatie, beladen met berijder en passagier, gemeten aan de voorkant van het platform moet minimaal 150 mm bedragen.
9.01.18.01
Op elk ander punt gemeten mag dit niet minder zijn dan 100 mm.
9.01.19
De besturing van het voorwiel dient te gebeuren zonder tussenkomst van verbindingsstangen, derhalve direct door een conventionele voorvork of swingarm die het wiel aan beide zijden verbonden door de wielas ondersteunt.
9.01.20
Alle andere typen van vering en besturing zijn verboden.
9.01.21
De zitplaats van de bestuurder dient in normaal beladen toestand gemeten, tenminste 400 mm boven het grondoppervlak te zijn geplaatst.
9.01.22
De brandstof- en olietank moeten op deugdelijke wijze bevestigd en achter het balhoofd zijn geplaatst.
9.01.23
De buitenomtrek van het zijspanwiel moet zijn afgeschermd door een horizontaal omlopende buis (doorsnede minimaal φ 25 mm) die op gelijke hoogte van de wielas moet zijn aange-bracht.
9.01.23.01
Geen enkel deel mag buiten deze beugel uitsteken.
9.01.24
De voorwielas moet bestaan uit massief staal met een dikte van ten minste φ 15 mm.
9.01.25
De achterwielas moet bestaan uit massief staal met een dikte van ten minste φ 17 mm.
- 40 -
9.01.26
Bij een eenzijdige bevestiging van een zijspanwielas, moet de as een diameter hebben van ten minste φ 25 mm vervaardigd uit massief staal. (Gemeten op het punt waar het grootste moment optreedt). (tekening Q)
9.01.27
Bij een tweezijdige ophanging dient de zijspanwielas een diameter van ten minste φ 15 mm te hebben vervaardig uit massief staal.
9.01.28
De as van het zijspanwiel mag niet aan het frame gelast zijn, doch moet zijn bevestigd door een bout- of klembevestiging van ten minste 100 mm breed en met tenminste 3 bouten (M8) aangehaald, waarbij de klem tegen loslopen moet zijn gezekerd.
9.01.28.01
De klem mag niet bestaan uit twee schaaldelen.
9.01.29
Wielassen moeten door hetzij asklemmen of kroonmoer met splitpen worden geborgd.
9.01.30
Het achter- en zijspanwielspatbord, aan de achterzijde van beide wielen gemeten, moeten tot minimaal 20 cm van het grondoppervlak doorlopen. (zie tekening L)
9.01.31
De wielbescherming van het zijspan- en het achterwiel dienen vanaf de spatbordrand door te lopen tot op de vloer van het zijspan.
9.01.32
Voor eventueel constructief moeilijk af te dichten open delen is het toegestaan het achterwiel van een schijf te voorzien welke de rechterzijde van het wiel volledig afdekt.
9.01.33
Het zijspanwiel moet middels een plaat of een schijf of door een aan de buitenzijde van het wiel tot aan de wielas doorlopend spatbord zijn afgedekt.
9.02 Afmetingen
9.02.01
De minimale afmetingen van de zijspanvloer bedragen:
lengte 1000 mm; breedte 400 mm.
9.02.02
De hellingshoek van het motorframe mag niet meer bedragen dan 15 gemeten vanuit het verticaal.
9.02.03
De helling van het zijspanwiel mag niet meer naar binnen bedragen dan 30 graden gemeten vanuit het verticaal.(tekening L )
9.03 WIELEN EN VELGEN
9.03.01
De velgmaat van het voorwiel dient ten minste 18" te bedragen.
9.03.02
De diameter van de spaken in het voorwiel dient ten minste φ 3,5 mm (M4) staal te zijn.
- 41 -
9.03.02.01
Spaken moeten tenminste 2 x gekruist worden.
9.03.03
De velgmaat van het achterwiel dient ten minste 18", en maximaal 22" te bedragen.
9.03.04
De diameter van de spaken in het achterwiel dient ten minste φ 4 mm (M4) staal te zijn.
9.03.04.01
Spaken moeten tenminste 2 x gekruist worden.
9.03.05
De breedte van de naven dient tussen de spaakflenzen ten minste 75 mm te zijn.
9.03.06
Spaakgaten dienen aan beide zijden verzonken te zijn geboord.
9.03.07
Wielnaven vervaardigd uit kunststof zijn verboden.
9.03.08
De velgmaat van het zijspanwiel mag maximaal 16" bedragen.
10 AANVULLENDE TECHNISCHE BEPALINGENBAANSPORTMACHINES
10.01 Krachtbron
10.10.01
Speedway-, Grasbaan-specials en Grasbaan-zijspancombinaties dienen te zijn uitgerust met een eencilinder 4-taktmotor met één carburateur en één bougie.
10.10.02
Voor ijsracemotoren geldt dat slechts motoren met één uitlaat en één inlaatklep (tweeklepsmotoren) zijn toegestaan.
10.02 Carburateur
10.02.01
Motoren zoals genoemd in Art.10.10.01 moeten voorzien zijn van een carburateur met een doorlaat van φ 34 mm (+ 0,1 mm).
10.02.02
De doorlaat van de carburateur moet (aan de motorzijde) een gelijk blijvende diameter behouden over een lengte van ten minste 25 mm.
10.02.02.01
Aan de luchtinlaatzijde over een lengte van ten minste 5 mm.
10.02.03
Vorenstaande (art. 10.02.02 / 10.02.02.01) maten
moeten vanaf de gasschuif worden gemeten (tekening G, H, K en L).
10.02.04
Voor Grasbaanmotoren zowel solo als zijspan geldt eveneens dat de carburateur moet zijn uitgerust met een efficiënt werkend luchtfilterelement.
- 42 -
11 AANVULLENDE TECHNISCHE BEPALINGEN JEUGD & DAMES KLASSE
Klassen 50cc t/m 125cc & damesklasse.
11.01 Algemeen
11.01.01
De Algemene Specificaties van dit Technisch Reglement Baansport zijn op deze klassen van toepassing met inachtneming van de navolgende Aanvullende Technische bepalingen:
11.02 Klassen
11.02.01
Motocrossmotoren: klasse 50cc t/m klasse 125cc jeugd.
Zie art 3.03.01
11.03 Bepalingen
11.03.01
Als basis dienen het motocross motoren te zijn.
11.03.02
Behalve de verplichte aanpassingen mogen er veranderingen worden aangebracht aan het frame en het uiterlijk van de machine. Voetsteunen dienen zich conform de productie te bevinden aan het frame.
11.03.03
Voorvorkpoten mogen niet meer dan 5 cm boven de bovenkant van de bovenste kroonplaat uitsteken.
11.03.04
Het achterwiel dient direct geremd te zijn, derhalve is een goed werkend remsysteem op het achterwiel verplicht. Een afscherming van de voorremschijf is verplicht.
11.03.05
Het voorste kettingwiel moet deugdelijk zijn afgeschermd.
11.03.06
De achterbanden voor 125cc jeugd & damesklasse dienen te voldoen aan artikel 12.03.05.01
12 AANVULLENDE TECHNISCHE BEPALINGEN INT. SOLOKLASSEN GRASBAAN V.A 125CC
12.01 Algemeen
12.01.01
Als basis dienen het motocross motoren te zijn. Voetsteunen dienen zich conform de oorspronkelijke fabricage productie te bevinden aan het frame.
12.01.02
De Algemene Specificaties van dit Technisch Reglement Baansport zijn op deze klassen van toepassing met inachtneming van de navolgende Aanvullende Technische bepalingen:
12.02 Klassen
12.02.01
Int. Runnerup , Int.Shorttrack
Klasse Inhoud zie art. 3.03.01
12.03 Bepalingen
12.03.01
Behalve de verplichte aanpassingen mogen er veranderingen worden aangebracht aan het frame en het uiterlijk van de machine. Voetsteunen dienen zich conform de productie te
- 43 -
bevinden aan het frame.
12.03.02
Voorvorkpoten mogen niet meer dan 5 cm boven de bovenkant van de bovenste kroonplaat uitsteken.
12.03.03
Het achterwiel dient direct geremd te zijn, derhalve is een goed werkend remsysteem op het achterwiel verplicht.
12.03.04
Een rem op het voorwiel is verboden. Een eventueel gemonteerde schijf dient te zijn afgeschermd.
12.03.05 Banden:
Voor de klassen: Int. Shorttrack/ Runner-up en 125cc klassen geld het volgende;
Art. 12.03.05.01
ALGEMEEN.
Art. 12.03.05.02
ACHTERBANDEN
Achterwiel maat minimaal 17 inch., maximaal 19 inch.
Toegestaan in de 125ccc (m.u.v. 125 jeugd), Int. Runner-up en Int. Shorttrack zijn de volgende type / soorten achterbanden.
* Dit betreft banden die via het normale circuit voor een ieder verkrijgbaar zijn, en welke zijn bedoeld voor het gebruik op de verharde openbare weg. De met * genoemde banden moeten opgenomen zijn in de publieke verkooplijsten en brochures van de fabrikant /importeur. Tevens moeten ze gehomologeerd en gefabriceerd zijn in overeenstemming met de normen van de ERTO en een minimale belading/snelheidscode bezitten van 45M.
12.03.05.03
SLICKBANDEN
Zogenaamde slickbanden zijn toegestaan, mits ze voldoen aan de volgende eisen:
(zonder profiel) zijn of met groeven (regenprofiel) in het oppervlak.
12.03.05.04
Speciale toevoeging banden reglement 2004
Mochten er door deze regelgeving ongewenste situaties ontstaan dan behoudt de Baansport Commissie het recht om tussentijds veranderingen aan te brengen.
- 44 -
12.03.07
De specificaties van de voorband zijn vrij.
12.03.08
Elke bewerking uitgevoerd op of aan de band, en/of het profiel daarvan is niet toegestaan.
12.03.09
Het voorste kettingwiel moet deugdelijk zijn afgeschermd.
12.03.10
Het voor nummerbord mag in belaste toestand van de motorfiets niet meer dan 25 uit het verticaal hellen.
14 BRANDSTOF
14.01 Specials, Speedway, IJsracers
14.01.01
Als brandstof mag alleen 100% methanol worden gebruikt.
14.01.02
Toevoegingen aan de methanol brandstof zijn verboden.
14.02 Andere Klassen
14.02.01
De keuze van brandstofsoort is vrij.
14.02.02
Voor een 2-takt motor is de toevoeging van olie toegestaan.
15 KOELVLOEISTOF
15.01.01
Het gebruik van koelvloeistof, anders dan water is verboden.
15.01.02
Als toevoeging mag ter bescherming van metalen delen en als smeermiddel voor de waterpomp een speciale dope als een anti-corrosiemiddel of maximaal 2% boorolie worden toegevoegd.
16 UITRUSTING
16.01 Algemeen
16.01.01
Het niet nakomen van onderstaande regels m.b.t. uitrusting heeft uitsluiting voor de training of wedstrijd tot gevolg.
16.01.02
Het dragen van "sjaaltjes"en het gebruik van kleding met capuchons is niet toegestaan.
16.01.03
Lange haren zullen om veiligheidsredenen op een dusdanige wijze gedragen dienen te worden, dat zij niet onder de helm uitkomen (wapperen).
16.02 Kleding
16.02.01
Tijdens de training en de wedstrijd moeten de deelnemers kleding en schoeisel dragen, welke in een goede staat dienen te zijn. Hieronder wordt verstaan een pak (of combinatie van racebroek, shirt of jack) en schoeisel gemaakt van materialen die in staat zijn voldoende bescherming te bieden. Deze dienen te voldoen aan de eisen zoals gesteld in de volgende artikelen.
- 45 -
16.02.02
Deelnemers dienen lederen kleding te dragen met een materiaal dikte van ten minste 1,2 mm of een materiaal ( zie 16.02.10) dat een overeenkomstige bescherming biedt. Hierbij is vereist: -het dragen van brandvrije onderkleding ( zie 16.02.06).
-het dragen van extra protectie volgens art. 16.02.03, 16.02.04 en 16.02.05.
16.02.02.01
Bij gebruik van een "motocross-shirt" moet deze zijn voorzien van lange mouwen. De mouwen moeten tot aan de polsen reiken en de uiteinden moeten voorzien zijn van "stretchstof". Het rijden met opgerolde of omhooggeschoven mouwen is niet toegestaan. De bescherming volgens art. 16.02.06,16.02.03,16.02.04 en 16.02.05 moet aanwezig zijn.
16.02.03
Afzonderlijk gedragen extra protectie moet bestaan uit kunststof materialen,met een minimum dikte van 2mm. De volgende delen van het lichaam moeten hierdoor worden beschermd:
Schouders, ellebogen, zijkanten en achterkant van de rug, de heupgewrichten en de knieën
16.02.04
Kunststoffen die door, hetzij verhitting of door het in contact komen met brandstof kunnen smelten, zijn noch voor de voering van het pak, noch voor de onderkleding toegestaan.
16.02.05
Het schoeisel van de deelnemer moet van leer zijn of van een goedgekeurd materiaal.
De schachthoogte van het schoeisel moet minstens 200 mm bedragen.
16.02.06
Indien kleding wordt gebruikt van ongevoerd leder, of van een ander compositie materiaal, moet een compleet stel onderkleding worden gedragen van hetzij, 'Nomex' of zijde of katoen.
16.02.07
Voor IJsracecoureurs geldt dat ter bescherming van de rug het dragen van een (glasvezel versterkte) kunststof protector verplicht is. Voor IJsrace coureurs geldt dat voor een extra bescherming van de rug, de borst, de schouderpartij, de bovenarmen met ellebogen en de knieën gezorgd moet worden.
16.02.08
Voor Ijsracecoureurs geldt dat er alleen maar onderkleding van katoen mag worden gedragen. Andere kleding welke onder of over racekleding wordt gedragen mag alleen maar van katoen zijn gemaakt.
16.02.09
Voor Ijsracecoureurs geldt dat er op de zool van de rechter laars tenminste drie ribbels moeten zijn aangebracht.
16.02.10
Andere materialen dan leder zijn toegestaan mits deze voldoen aan de navolgende eisen: "Materiaal, gelijkwaardig aan leer"; De karakteristiek van het materiaal moet ten minste gelijkwaardig zijn aan koeienhuid met een dikte van 1,5 mm (ongesplitst) betreffende:
- de vuurvastheid,
- de weerstand tegen doorschuren,
- de glijbestendigheid op alle soorten asfalt,
- de zweetabsorberende kwaliteit,
- de medische eigenschappen, b.v. niet giftig en niet allergisch,
- 46 -
- een kwaliteit die niet kan smelten.
Kleding van materiaal anders dan leer moet zijn voorzien van een (permanent aangebracht)label met daarop de tekst "in overeenstemming met de FIM reglementen".
16.02.11
Deelnemers moeten handschoenen van leer of gelijkwaardig materiaal dragen.
16.02.11.01
De fabrikant van kleding is verantwoordelijk voor dat de geleverde kleding voldoet aan de eisen die in de FIM reglementen worden gesteld. De KNMV kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor schade welke voortkomt uit het dragen van ondeugdelijke kleding, of uit een onjuist gebruik ervan.
16.02.11.02
Voor Speedway en Special rijders is het dragen van een in goede staat verkerende "stalen slof" om de linkerlaars verplicht tijdens de training en wedstrijd.
16.02.12
Ook voor deelnemers in alle Jeugdklassen is het dragen van een "borst/rugbeschermer" bodyprotector verplicht, dit alleen indien geen lederen kleding volgens Art.16.02.02 wordt gedragen.
- Deze bodyprotector dient de voor- en achterzijde van het bovenlichaam voldoende te beschermen.
- Bodyprotectors dienen onder het shirt te worden gedragen
16.03 Helmen
16.03.01 Toelatingsmerk
Elke in de motorsport te gebruiken helm moet zijn voorzien van een geldig 'KNMV- toelatingsmerk' voor motorsporthelmen. De KNMV geeft haar toelatingsmerk motorsporthelmen slechts af voor die helmen, waarvan de fabrikant of diens -bij een Kamer van Koophandel ingeschreven- vertegenwoordiger op de Nederlandse markt, voor het betreffende merk en type helm bij de KNMV een typetoelating heeft verkregen. Een aanvraag tot toelating moet worden ingediend bij het secretariaat der KNMV te Arnhem en moet vergezeld gaan van een duidelijke vermelding van het helmenmerk en typeaanduiding, van een duidelijke kleurenfoto of fabrieksfolder en een omschrijving van de technische specificatie van schaalmaterialen, opbouw en eventuele bijzonderheden.
De aanvraag moet tevens het voor deze helm verleende ECE- goedkeuringsnummer -ten minste met specificatie ECE 22-05- vermelden.
16.03.02 Typetoelating
Een toelating wordt per helmtype verleend, voor een termijn van vier jaren.
Een toelating ontslaat een fabrikant niet van zijn wettelijke productaansprakelijkheidverplichting.
16.03.03 Lijst van toelatingen
De KNMV publiceert voor aanvang van een kalenderjaar in haar Bondsorgaan "Motor" de lijst met verleende, en voor dat jaar geldende 'toelatingen motorsporthelmen'. Tussentijdse toelating kan in de jaarlijst worden opgenomen en zal afzonderlijk worden gepubliceerd.
De lijst zal vermelden, het handelsmerk en typenaam van de helm, het daarbij behorende ECE- goedkeuringnummer en de naam van de aanvragende fabrikant of diens importeur/ vertegenwoordiger.
16.04 Inspectie van helmen
16.04.01 Dragen van een helm
Gedurende training en wedstrijd moet de deelnemer, zodra hij op zijn motor zit om aan de
- 47 -
training of wedstrijd deel te nemen, een goed bevestigde, beschermende en in goede staat verkerende helm dragen, die is voorzien van een geldige 'KNMV- jaarsticker' voor motorsporthelmen. De helm moet een goede pasvorm hebben op het hoofd van de deelnemer. De keurmeester zal zich van de pasvorm en bevestiging op het hoofd kunnen overtuigen. Daarbij mag een kinband niet over de kin getrokken kunnen worden en mag de helm, ook niet met enige kracht naar voorwaartse- of achterwaartse richting van het hoofd gekanteld kunnen worden.
16.04.02 Aanvullende specificaties
Alleen helmen met een kinband als retentiesysteem zijn toegestaan.
Het gebruik van minimaal een jethelm, al dan niet met afneembare klep of kinstuk, is bij alle motorsport disciplines - met uitzondering van wegraces en sprint- verplicht.
Het gebruik van een zogenaamde kincup op de kinband is verboden.
Vizieren en brilglazen mogen niet zijn bekrast.
De kinband en haar sluitingen mogen op geen enkele wijze zijn beschadigd
Voor de jeugdsportklassen geldt dat helmen niet zwaarder mogen zijn dan 1500 gram.
16.04.03 Inspectie
Een KNMV-jaarsticker als bedoeld in artikel 16.04.01 wordt door de Technische Commissie van de KNMV op een helm aangebracht nadat bij inspectie is gebleken;
- dat het betreffende merk en type voorkomt op de jaarlijst van toelatingen als bedoeld in artikel 16.03.03;
- dat de helm is voorzien van het officiële ECE- goedkeuringslabel of een door de FIM erkend goedkeuringslabel, welke vast in de helm is bevestigd en goed leesbaar het betreffende goedkeurings- en serienummer aangeeft;
- dat er sprake is van een winkelnieuwe, dus ongebruikte en in goede staat verkerende helm of -naar het oordeel van de TC- in nieuwstaat verkerende helm;
- dat er aan deze helm geen andere dan door/ vanwege de fabrikant aangebrachte veranderingen zijn doorgevoerd, die een inbreuk op de ECE- goedkeuringsnorm betekenen. Immers in dat geval zal dat als een helm zonder goedkeuringslabel worden aangemerkt.
16.04.04 Geldigheidsduur
Een KNMV-jaarsticker heeft een geldigheid van ten hoogste vier jaren. Per kalenderjaar wordt hiervoor een sticker met jaartalaanduiding in een wisselende kleur gebruikt.
Een helm waarvan de geldigheid van het toelatingsmerk is vervallen kan niet opnieuw worden voorzien van een jaarsticker. Kortom; een helm heeft in de motorsport een maximale 'gebruiksduur' van vier jaren. Helmen, die naar het oordeel van de TC door een beschadiging -bijvoorbeeld na een val- of anderszins niet meer voldoen aan de voorwaarden in dit Reglement, of waaraan anderszins een defect wordt waargenomen, verliezen hun toelating. Hiertoe zal de keurmeester de KNMV-jaarsticker van de helm verwijderen.
16.04.05 Verplichting rijder
Het is de plicht van de rijder, zijn helm bij de aanvang van een nieuw motorsportjaar bij de TC ter inspectie aan te bieden. Het is de plicht van een rijder, zijn helm, nadat hij bij een valpartij is betrokken geweest, terstond bij de TC ter inspectie aan te bieden. De betreffende nummers van de helm worden vastgelegd en de helm kan voor nader onderzoek in bewaring worden gehouden.
Voor het jaar 2004 zijn alleen helmen toegestaan met een jaarsticker 2001 of hoger.
- 48 -
16.05 Oogbescherming
16.05.01
Het dragen van oogbescherming door de deelnemers tijdens de training en of wedstrijd is verplicht.
16.05.02
Onder oogbescherming wordt verstaan, het dragen van een gewone bril, een motorbril of helmvizier.
16.05.03
Het vizier mag niet één geheel vormen met de helm.
16.05.04
Het vizier en of brilglazen moeten van een splinterbestendig en krasvast materiaal zijn vervaardigd.
16.05.05
Een vizier en of brilglazen die ernstig zijn bekrast of beschadigd mogen niet worden gebruikt.
16.05.06
Het gebruik van "tear-offs" of te wel wegwerpvizieren, die op een normaal helmvizier of bril gemonteerd kunnen worden is toegestaan.
16.05.07
De zogenaamde "flip ups" zijn toegestaan, echter zowel het frame als de glazen dienen van een splintervrij en buigzaam materiaal te zijn vervaardigd.
16.05.07.01
Het frame en of de glazen dienen op een deugdelijke wijze aan de helmklep te zijn bevestigd.
16.06 Rugnummers
16.06.01
Alle Baansportcoureurs en bakkenisten dienen een rugnummer te dragen, welke dient te voldoen aan de navolgende eisen.
16.06.02
De navolgende kleuren combinaties zijn alleen toegestaan:
a) Witte cijfers op een zwarte ondergrond.
b) Zwarte cijfers op een witte ondergrond.
c) Zwarte cijfers op een gele ondergrond.
16.06.03
De afmetingen bedragen:
Hoogte van de cijfers tenminste 20 cm.
Breedte van de cijfers tenminste 2,5 cm.
Ondergrond vlak tenminste 25 cm hoog en 30 cm breed.
16.06.04
De uitvoering:
16.06.04.01
Op de lederen kleding.
- 49 -
16.06.04.02
Op een sterke en strak zittende hes van kunststof of leer vervaardigd. Een rugnummer op de shirt is toegestaan.
16.06.04.03
Een stoffen hes is niet toegestaan.
16.06.05
Het middelpunt van het rugnummer dient zich op het midden van de rug van de coureur te bevinden. Zowel in hoogte als in breedte.
16.06.06
Tijdens deelname aan EK en/of WK wedstrijden is het dragen van de Nationale Vlag (van het land van rijders paspoort) op de voorzijde (borst) verplicht.
17 CONTROLE EN KEURING
17.01 Algemeen
17.01.01
Iedere deelnemer die nalaat zich te melden zoals omschreven in Art 17.02.01 tot en met Art 17.02.02.03, zal worden uitgesloten van de wedstrijd.
17.01.02
Het Hoofd van de Technische Dienst zal de Wedstrijdleider adviseren elke deelnemer wiens materiaal een gevaar kan zijn voor andere deelnemers of toeschouwers te weigeren om deel te nemen aan de training of de wedstrijd.
17.01.03
Voor aanvang van elke training en tijdens de wedstrijd moet een machine beschikbaar zijn oor een Technische Inspectie.
v
17.02 De Keuring
17.02.01
In het Aanvullend Reglement wordt tijd en plaats vermeld waar elke deelnemer, die heeft ingeschreven zich moet melden met hun motor(en) en kleding voor de keuring.
17.02.02
De "keuring" behelst:
17.02.02.01
Het identificeren van de deelnemer,
17.02.02.02
Het controleren van het startbewijs,
17.02.02.03
Het Technisch inspecteren en controleren van motoren.
17.02.02.04
Het inspecteren van de uitrusting.
17.02.02.05
Het steekproefsgewijs controleren van cilinderinhoud direct nadat een deelnemer zijn laatste dagheat heeft beëindigd. De ontstane kosten voor rekening Startbewijshouder.
- 50 -
17.02.03
Na een ongeval kan het Hoofd van de Technisch Dienst een machine of delen daarvan voor een onderzoek onder zich houden ten einde een technisch rapport ten dienste van de wedstrijdleiding te kunnen opmaken.
17.02.03.01
De rijder of zijn monteur is verplicht aan elk onderzoek zijn medewerking te verlenen.
17.03 Gevaarlijke machines
17.03.01
Indien blijkt dat tijdens een training of een wedstrijd het Hoofd van de Technische Dienst van oordeel is dat een machine defect is of een gevaar kan opleveren voor andere deelnemers en/of het publiek, zal hij onmiddellijk de Referee hiervan in kennis stellen.
17.04 Parc fermé
17.04.01
In overeenstemming met Art. 140.1 van het Motorsportreglement kan door de Referee worden bepaald dat na een manche of een wedstrijd één of meerdere motoren in het parc fermé dienen te worden geplaatst voor een Technische-, en/of geluidscontrole.
18 GELUIDSCONTROLE
18.01 De Meting
18.01.01
Uitlaatgeluid wordt gecontroleerd op waarden zoals hieronder aangegeven.
18.01.02
Gemeten wordt met de microfoon van de geluidsmeter op een afstand van 50 cm van het uiteinde van een uitlaatpijp, onder een hoek van 45 gemeten van de lengtehartlijn van de demper en op dezelfde hoogte, maar ten minste 20 cm boven de grond.
18.01.03
De demper(s) worden, indien deze zijn goedgekeurd, gemerkt.
18.01.04
Het is niet toegestaan de demper na een keuring te verwisselen, behalve met een demper die (op dezelfde dag) ook goedgekeurd en gemerkt is.
18.01.05
De motor in de vrijstand moet draaien op het vereiste toerental.
18.01.06
Dit toerental is afhankelijk van de gemiddelde zuigersnelheid bij een bepaalde slag van de motor (zie tabel). SLAG 2-T. 4-T. SLAG 2-T. 4-T.
30 13000 11000 66 5909 5000
31 12500 10645 67 5820 4925
32 12187 10313 68 5735 4853
33 11818 10000 69 5652 4783
34 11470 9706 70 5571 4714
35 11142 9429 71 5492 4648
36 10833 9167 72 5416 4583
37 10540 8919 73 5342 4521
38 10263 8684 74 5270 4459
39 10000 8462 75 5200 4400
40 9750 8250 76 5132 4342
41 9512 8049 77 5065 4286
42 9285 7857 78 5000 4231
- 51 -
43 9069 7674 79 4937 4177
44 8863 7500 80 4875 4125
45 8666 7333 81 4815 4074
46 8478 7174 82 4756 4024
47 8297 7021 83 4699 3976
48 8125 6875 84 4643 3929
49 7959 6735 85 4588 3882
50 7800 6600 86 4535 3837
51 7647 6471 87 4483 3793
52 7500 6346 88 4432 3750
53 7358 6226 89 4382 3708
54 7222 6111 90 4333 3667
55 7090 6000 91 4286 3626
56 6964 5893 92 4239 3587
57 6842 5789 93 4194 3548
58 6724 5690 94 4149 3510
59 6610 5593 95 4105 3474
60 6500 5500 96 4063 3438
61 6393 5410 97 4021 3402
62 6290 5323 98 3980 3367
63 6190 5238 99 3939 3333
64 6093 5156 100 3900 3300
65 6000 5077
18.01.07
Het meettoerental (N) zal als volgt worden berekend:
30.000 x Cm
s
Waarbij
N = aantal omwentelingen per minuut;
Cm = gemiddelde zuigersnelheid in m/sec.
s = slag in mm.
18.01.08
Bij meercilinders motoren wordt het geluid aan elk uitlaateinde gemeten. Een motor die niet aan deze geluidseisen voldoet kan een tweede keer worden gemeten.
18.01.09
Elke motor moet op het carter voorzien zijn van een duidelijk leesbare ingeslagen aanduiding van de slag (in mm).
18.01.10
De maximaal toelaatbare geluidsproductiewaarde voor:
Baansport motoren bedraagt maximaal: 102 dB(a)
18.01.11
Gemeten wordt bij een gemiddelde zuigersnelheid van 13 m/s voor 2-takt, en 11 m/s voor 4-takt motoren.
18.01.12
Voor Wankel motoren geldt een toerental van 6000 t/m waarbij de geluidsproductie wordt gemeten.
- 52 -
18.01.13
Tijdens deze meting mag het omgevingslawaai de 90 Db(a) niet overschrijden binnen een straal van 5 m rondom het meetpunt.
18.01.14
Vanwege de invloed van de luchttemperatuur op een geluidsmeting zijn alle waarden opgesteld voor een buitenlucht temperatuur van 20 C.
18.01.15
Indien de meting plaatsvindt bij een temperatuur beneden 10 C, geldt een tolerantie van + 1 dB(a), en bij metingen beneden 0 C een tolerantie van +2 dB(a).
18.01.16
Motoren dienen ten allen tijde onder de gestelde maximale geluidsproductie norm te blijven. (Art.18.01.10).
18.01.17
Indien tijdens een training of een wedstrijd een uitlaat (of een deel daarvan) in het ongerede geraakt, waardoor niet alle uitlaatgassen door de demper de motor verlaten en daardoor een overmatig geluid wordt veroorzaakt, zal de deelnemer door de Referee uit de wedstrijd of training worden genomen.
18.02.01
Indien er door een Referee beslist wordt dat de eerst aankomende motor (of alle anderen, door hem aangewezen) een nacontrole dienen te ondergaan, waarbij een geluidskeuring kan zijn inbegrepen, geldt dan op de voorgeschreven geluidsnormen een tolerantie van 2 dB(a).
18.02.02
Een dergelijke nacontrole op geluid kan worden gehouden zonder dat voor de aanvang van de wedstrijd of training op die dag het geluid werd gemeten.
18.02.03
Motoren aangewezen door de Referee om een nacontrole te ondergaan dienen overeenkomstig Art 17.04.01 in het Parc-Ferme te worden geplaatst, en in het Parc-Ferme te blijven tot dat de Wedstrijdleider deze motoren zal vrijgeven om verwijderd te worden.
18.03 Dempers
18.03.01
Een geluiddempende inrichting moet op deugdelijke wijze aan de uitlaat zijn bevestigd, zulks ter beoordeling van het Hoofd Technische Dienst.
18.03.02
Als dempingmateriaal mag geen gebruik worden gemaakt van los aangebrachte en ondeugdelijke hulpmiddelen zoals pannensponzen o.i.d. teneinde bij de geluidsmeting het uitlaatgeluid te reduceren.
18.03.03
Het gebruik van rubber of kunststof hulpstukken om zo een betere demping te verkrijgen, is verboden, tenzij de demper in zijn geheel uit kunststof is vervaardigd.
- 53 -
20 AANV.TECHN.BEPALINGEN VOOR OMBOUW BAANMOTOR TOT NAT. IJSRACEMACHINE
20.01 Algemeen
20.01.01
Toegelaten motoren dienen oorspronkelijk als baansportmotor te zijn gefabriceerd, en daartoe de normale kenmerken van een baansportmotor te bezitten.
20.01.02
De Aanvullende Technische Bepalingen Nationale Klassen Grasbaan Art.12. zijn van toepassing met uitzondering van de navolgende bepalingen.
20.02 Klassen
Grasbaan Special en Speedway;
Motorcross;
Grasbaanzijspan;
20.03 Banden
20.03.01
Ter verbetering van de grip mogen er op de loopvlaknoppen uitsluitend zelftappers (parkers) worden gemonteerd.
20.03.02
Er mag slechts één parker per nok worden gemonteerd.
20.03.03
De dikte van een parker mag maximaal 6 mm bedragen.
20.03.04
De parker mag maximaal 10 mm buiten de oppervlakte van de nok steken.
20.03.05
De parkers mogen aan de rechterzijde niet buiten de band breedte uitsteken.
20.03.06
Voor de klassen Special/Speedway en Grasbaanzijspan geldt dat de achterband, uitsluitend in de middenbaan van het loopvlak, bovendien nog mogen worden voorzien van maximaal 40 boutjes.
20.03.06.01
De dikte van een boutje mag maximaal 7 mm bedragen.
20.03.06.02
Een boutje mag maximaal 10 mm buiten de oppervlakte van een nok steken.
20.03.07
Een boutje mag tot maximaal 1/3 van zijn lengte worden aangescherpt.
20.03.08
Het gebruik van echte "spikes" is absoluut verboden.
20.03.09
Bij een grasbaan-zijspancombinatie mag aan de band van het zijspanwiel geen verandering toegebracht worden.
20.04 Afscherming voorwiel
20.04.01
Het voorwiel dient beschermd te zijn middels een solide buisconstructie (kooi), welke parallel
- 54 -
dient te lopen aan de omtrek van het wiel.
20.04.02
De zijkanten van de band dienen eveneens door de "kooi" te zijn afgeschermd.
20.04.03
De afstand tussen het grondvlak en de onderzijde van de kooi dient 20 cm ( 1 cm) te bedragen, dit geldt voor zowel de vóór- als achterzijde van het voorwiel.
20.04.04
Onderlinge open ruimtes in de kooi mogen niet meer bedragen dan 10 cm.
20.04.05
De kooi moet zijn afgedicht middels een stevig materiaal (bv. kunststof plaat) welke deugdelijk moet zijn bevestigd.
20.05 Afscherming achterwiel
20.05.01
Het achterwiel dient beschermd te zijn middels een solide buisconstructie (kooi), welke parallel dient te lopen aan de omtrek van het wiel.
20.05.02
De zijkanten van de band dienen eveneens door de "kooi" te zijn afgeschermd.
20.05.03
De afstand tussen het grondvlak en de onderzijde van de kooi dient 20 cm ( 1 cm) te bedragen, dit geldt voor de achterzijde van het achterwiel.
20.05.04
Onderlinge open ruimtes in de kooi mogen niet meer bedragen dan 10 cm.
20.05.05
De kooi moet zijn afgedicht middels een stevig materiaal (bv. kunststof plaat) welke deugdelijk moet zijn bevestigd.
21 AANVULLENDE BEPALINGEN 125 CC SPECIAL/ SPEEDWAY KLASSE
21.01 Algemeen
21.01.01
De algemene specificaties van dit Technisch Reglement Baansport is op deze klasse van toepassing met inachtneming van de navolgende Aanvullende Technische bepalingen.
21.02 Frame
21.02.01
Het hoofdframe dient een speciaal baansportframe te zijn met of zonder achtervering.
21-02-02 Sturen
Stuurbreedte minimaal 65cm en maximaal 85cm.
21.03 Wielen
21.03.01
Maat van het voorwiel minimum 19 inch maximum 23 inch.
21.03.02
Maat van het achterwiel minimum 17 inch maximum 22 inch.
21.04 Banden
21.04.01
Het profiel van de voorband is vrij.
- 55 - 21.04.02
Het profiel van de achterband moet bestaan uit een zgn. trial of baansportprofiel.
Bandbreedte voor maximum 80mm, achter maximum 100mm.
21.05 Remmen
21.05.01
Remmen zijn niet toegestaan.
21.06 Krachtbron / incl. inlaat en uitlaat
21.06.01
Als motorblok is alleen toegestaan 125 cc viertakt.
21.06.02
carburateur doorlaat maximum 28 mm.
21.06.03
Geluidproductie :maximaal 98 Dba bij 5000 omwentelingen per minuut.
21.06.04
De bevestiging aan het eerste derde deel van de uitlaatdemper moet een minimaal 3mm dikke staalkabel zijn, welke op de kortste plaats aan het frame gemonteerd moet zijn.
21.07 Brandstof
21.07.01
Als brandstof is alleen puur Methanol of Benzine toegestaan.
21.08 Nummerborden
21.08.01
Voor nummerborden gelden de artikelen 7.14.01 t/m 7.14.17.
Kleur bord: groen Kleur cijfer: wit
21.09 Stalen slof
21.09.01
Het gebruik van een stalen slof is verplicht.
21.10 Kleding / Body protector
21.10.01
Art. 16.02.16 t/m 16.02.19 zijn hier van kracht. Een bodyprotector is verplicht.
22 TECHNISCHE COMMISSIE
22.01
Het Technisch Reglement Baansport is onderdeel van het baansport reglement en valt onder verantwoordelijkheid van de Baansport Commissie, alleen deze is gerechtigd in die gevallen waarin dit niet voorziet een beslissing te nemen. De technische Commissie adviseert de Baansport Commissie in deze.
22.02
In die gevallen waarin dit T.R.B niet voorziet, is op elk Baansport evenement het Hoofd van de Technische Dienst gerechtigd een voor dat evenement geldende beslissing te nemen, echter alleen dan wanneer de "Technische" veiligheid in het geding zou kunnen zijn.
kijk hier voor meer
http://www.knmv.nl/pub/files/_pdf/sport/baansport.pdf